btw-eenheid
Tax & Accounting09 juli, 2021

Wat is een btw-eenheid en hoe werkt het?

Personen die juridisch gezien wel zelfstandig zijn, maar financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, kunnen aangemerkt worden als één btw-plichtige, zijnde de ‘btw-eenheid’. Voor de prestaties tussen de leden van eenzelfde btw-eenheid is er geen btw verschuldigd. Bovendien moet er slechts één periodieke btw-aangifte ingediend worden. 
In dit artikel bespreken we concreet:

  • Toepassing op Belgische vestigingen
  • Wat betekent 'financieel, organisatorisch en economisch' verbonden?
  • Wat kan wel of niet in de btw-eenheid?
  • Stoppen en/of uittreden uit de btw-eenheid

Van toepassing op Belgische vestigingen

Een btw-eenheid kan slechts worden gevormd tussen btw-plichtigen die in België zijn gevestigd. Een Belgische vaste inrichting van een buitenlandse onderneming kan bijgevolg deel uitmaken van een Belgische btw-eenheid. De niet in België gevestigde inrichtingen van een buitenlandse onderneming of een buitenlandse vaste inrichting van een Belgische onderneming zijn daarentegen van deelname uitgesloten. Wanneer een in België gevestigde btw-plichtige toetreedt tot een btw-eenheid, moet hij voor het geheel van zijn juridische entiteit toetreden, met inbegrip van al haar vaste inrichtingen (exploitatiezetels, filialen) gevestigd in België. 

Wat betekent 'financieel, organisatorisch en economisch' verbonden?

Om tot een btw-eenheid te kunnen komen, moet een financiële, economische en organisatorische verbondenheid moeten aangetoond worden tussen verschillende inrichtingen.

Financiële verbondenheid

Aan deze voorwaarde wordt in ieder geval voldaan wanneer tussen hen een rechtstreekse of onrechtstreekse controleverhouding bestaat. In hoofde van andere personen dan rechtspersonen met een in aandelen vertegenwoordigd kapitaal wordt deze financiële verbondenheid in ieder geval voldaan wanneer de meerderheid van de activa die zij hebben ingezet voor de behoeften van hun economische activiteit rechtstreeks of onrechtstreeks toebehoren aan dezelfde persoon.

De administratie neemt aan dat deze voorwaarde is vervuld wanneer een btw-plichtige, rechtstreeks of onrechtstreeks, 10 % of meer van de maatschappelijke rechten bezit van een andere vennootschap waarmee hij een btw-eenheid wenst te vormen. Voor zover een btw-plichtige via meerdere tussenpersonen cumulatief 10 % of meer van de maatschappelijke rechten bezit van een andere vennootschap waarmee hij een btw-eenheid wenst te vormen, wordt deze voorwaarde tevens geacht vervuld te zijn. De administratie neemt tevens aan dat deze voorwaarde is vervuld wanneer 10 % of meer van de maatschappelijke rechten van de belastingplichtigen die deel wensen te nemen aan de btw-eenheid, rechtstreeks of onrechtstreeks, in dezelfde handen is. Hierbij is het niet van belang of de aandeelhouder al dan niet deel uitmaakt van de btw-eenheid. Er is m.a.w. tevens aan de voorwaarde voldaan wanneer de aandeelhouder ervoor opteert om zelf geen deel uit te maken van de btw-eenheid of zelf geen deel kan uitmaken van de btw-eenheid.

Organisatorische verbondenheid

Aan deze voorwaarde wordt in ieder geval voldaan wanneer:

  • zij in rechte of in feite rechtstreeks of onrechtstreeks onder een gemeenschappelijke leiding staan; of
  • zij hun werkzaamheden geheel of gedeeltelijk in gemeenschappelijk overleg organiseren; of
  • zij in rechte of in feite rechtstreeks of onrechtstreeks onder de controlebevoegdheid staan van één persoon.

Economische verbondenheid

Aan deze voorwaarde wordt in ieder geval voldaan wanneer:

  • de voornaamste werkzaamheid van ieder van hen van dezelfde aard is; of
  • hun werkzaamheden elkaar aanvullen of beïnvloeden, of kaderen in het nastreven van een gezamenlijk economisch doel; of
  • de werkzaamheid van de ene btw-plichtige geheel of gedeeltelijk wordt uitgeoefend ten behoeve van de anderen.

De voorwaarde van de financiële, organisatorische en economische verbondenheid geldt van bij het begin van de btw-eenheid, maar ook tijdens de rest van haar bestaan. Als de verbondenheid wegvalt, dan zal ook de eenheid ophouden te bestaan. Dat kan doordat de economische omstandigheden veranderen, bv. wisselend aandeelhouderschap, andere bestuurders worden aangesteld. Een lid kan verplicht worden om uit te treden, wanneer het niet meer voldoet aan de voorwaarden om lid te zijn, of als het in een insolvabiliteitsprocedure verwikkeld is.

Wat kan wel of niet in de btw-eenheid?

De algemene werking van de btw-eenheid kan als volgt beschreven worden.

1. Interne en externe verrichtingen

De btw-eenheid is één btw-plichtige zowel vanuit het oogpunt van de goederen en diensten die door derden worden geleverd, als vanuit het oogpunt van de leveringen voor derden, met als gevolg dat:

  • leveringen van goederen en diensten tussen de leden van een btw-eenheid niet vallen binnen het toepassingsgebied van de btw;
  • leveringen door derden van goederen en diensten aan elk lid gebeuren, voor de toepassing van de btw, aan de btw-eenheid;
  • invoer en intracommunautaire verwervingen van goederen gedaan door elk lid, door de btw-eenheid worden verwezenlijkt;
  • leveringen van goederen en diensten gedaan door elk lid door de btw-eenheid worden verwezenlijkt.

Die gevolgen gelden ten opzichte van alle leveringen van goederen en diensten zonder enige uitzondering. De interne handelingen moeten derhalve niet worden opgenomen in een factuur. 
Nochtans belet niets het lid om aan zijn medecontractant een volgens de wettelijke voorschriften opgemaakte factuur uit te reiken. In dat geval moet geen enkel ander stuk worden uitgereikt om de handeling tussen de leden vast te stellen. Het lid dat goederen levert of diensten verstrekt aan een ander lid van dezelfde btw-eenheid moet aan deze laatste immers een specifiek stuk uitreiken tot vaststelling van die handeling.

Rekening houdend met het feit dat de leden van een zelfde btw-eenheid zelfstandige juridische entiteiten zijn, onderworpen aan de directe belasting, en dat zij op ieder moment onder bepaalde voorwaarden die btw-eenheid kunnen verlaten, moet de Administratie dankzij dat stuk in staat zijn om de stroom van de tussen de leden verrichte handelingen te controleren.

2. Btw-aftrek en herziening

Art. 45 tot 49 WBTW alsook de bepalingen in het KB nr. 3 zijn van toepassing op de btw-eenheid. Dat betekent m.a.w. dat, net zoals voor alle btw-plichtigen, het recht op aftrek van de btw op de door derden aan de btw-eenheid geleverde goederen en diensten zal afhangen van de eindbestemming die de leden van de eenheid van die goederen geven aan die goederen en diensten. Dit geldt ook voor het recht op aftrek van de btw met betrekking tot de bedrijfsmiddelen in de zin van het WBTW (zoals bv. gebouwen). Ook de regeling met betrekking tot de herziening van de btw-aftrek is hier van toepassing.

Het is aan de btw-eenheid om het bewijs van die eindbestemming te leveren:

  • wanneer de eindbestemming onmiddellijk gekend is of achteraf duidelijk zal kunnen worden vastgesteld: de btw is al dan niet aftrekbaar al naargelang die eindbestemming;
  • in geval van gemengd gebruik (bv. omdat de goederen of diensten worden gebruikt door andere leden van de eenheid dan het lid dat ze heeft gekocht), wordt de aftrek bepaald als volgt:
    • zolang het niet mogelijk is op een controleerbare wijze na te gaan welk uiteindelijk de eindbestemming van de goederen of diensten zal zijn, zal de btw-aftrek worden bepaald op basis van het algemeen verhoudingsgetal van de btw-eenheid. In voorkomend geval kan die aftrek worden bepaald op basis van het bijzonder verhoudingsgetal van het lid van de eenheid dat de goederen of diensten heeft ontvangen, indien die goederen of diensten op controleerbare wijze aan dit lid kunnen worden toegewezen;
    • op het ogenblik dat de btw-eenheid een vergunning heeft voor werkelijk gebruik en de eindbestemming op controleerbare wijze kan worden vastgesteld (meer bepaald aan de hand van verdeelsleutels voor de goederen en diensten al naargelang het gaat om activiteiten binnen of buiten de eenheid van de leden die ze hebben verworven), zal de btw op basis daarvan kunnen worden afgetrokken (of herzien);
  • wanneer de eindbestemming niet op een controleerbare wijze kan worden vastgesteld, zal de btw aftrekbaar zijn op grond van het algemeen verhoudingsgetal van de btw-eenheid.

3. Draagwijdte van de hoofdelijke aansprakelijkheid

Indien een btw-eenheid niet spontaan haar btw-schuld voldoet, zal de vertegenwoordiger in eerste instantie worden aangesproken, op grond van zijn in de plaatsstelling. Evenwel mag er niet uit het oog worden verloren dat de andere leden van de btw-eenheid ook potentiële medeschuldenaars zijn. Deze aansprakelijkheid kan door de Staat worden ingeroepen zonder enige voorafgaande formaliteit: het volstaat dat de Staat zich als schuldeiser expliciet richt tot één van de hoofdelijke medeschuldenaars om betaling van de hele schuld te verkrijgen. Vanzelfsprekend kan de Staat zich slechts één maal laten betalen, maar dan wel door om het even welk lid van de btw-eenheid, naar de vrije keuze van de schuldeiser.

De werkelijke draagwijdte van het art. 51ter WBTW heeft dus betrekking op het feit dat al de leden van een btw-eenheid onder elkaar, hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de belasting, de interesten, de boeten en de kosten waarvan de verschuldigdheid is ontstaan tijdens de periode waartoe zij tot de btw-eenheid behoren. Bijgevolg zijn er een aantal beperkingen aangaande de hoofdelijke aansprakelijkheid:

  • zij is enkel geldig voor de btw, de interesten, de boeten en de kosten, met uitsluiting dus van alle andere belastingsoorten of -sommen (bv. vennootschapsbelasting);
  • zij is enkel geldig voor de sommen die opeisbaar zijn geworden ingevolge de handelingen die betrekking hebben op een periode waarin de betrokkene lid was van de btw-eenheid, met uitsluiting van de opeisbare sommen die voortvloeien uit handelingen gesteld door de btw-eenheid tijdens een daaraan voorafgaande of daaropvolgende periode;
  • zij is enkel van toepassing voor de sommen waarvoor aan beide voorgaande voorwaarden is voldaan en waarvoor het betrokken lid wordt aangesproken. Zolang het lid niet expliciet wordt aangesproken door de Staat voor de voldoening van de betrokken btw-schuld, bestaat deze nog niet in zijnen hoofde.

Voorbeelden van aansprakelijkheid

Een btw-eenheid die werd opgericht tussen de leden A (vertegenwoordiger), B en C op 1 oktober 2007 heeft een btw-schuld van 25.000 EUR, voortvloeiende uit de periodieke aangifte m.b.t. de handelingen van de maand december, uiterlijk in te dienen op 20 januari 2008. In de veronderstelling dat het lid D slechts op 1 januari toetrad tot deze btw-eenheid, kan worden geconcludeerd dat alleen A, B en C op grond van art. 51ter WBTW tot de voldoening van deze schuld hoofdelijk kunnen worden aangesproken.

Hoewel de schuld slechts moet worden voldaan op een tijdstip waarop D reeds lid was van de btw-eenheid (schuld uiterlijk te voldoen op 20/1/2008), kan D toch niet hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld omdat de belasting (en de eventueel daaruit voortvloeiende interesten, boeten en kosten), betrekking heeft op de handelingen m.b.t. de maand december 2007, zijnde een periode waarvoor D nog geen lid was van de btw-eenheid.

Stoppen en/of uittreden uit de btw-eenheid

Bij het uittreden van enkele leden/een lid, moet er een herziening doorgevoerd worden voor de bedrijfsmiddelen. Met andere woorden de vroeger gedane btw-aftrek moet worden herbekeken. Zowel het uittredend lid, als de eenheid zal die oefening moeten doen. In dat geval zal eventueel een deel van de afgetrokken btw moeten worden teruggestort aan de schatkist, omdat er niet langer voldaan is aan de voorwaarden voor aftrek.

Auteurs: Heidi Deschacht, Marc Govers & Eddy Struyven