Legal23 februari, 2021

De precaire verhouding tussen het WVV en de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden

Artikel verschenen in NJW, afl. 437, 24/02/2021

Steden en gemeenten kunnen een samenwerkingsverband/intercommunale oprichten om samen doelstellingen van gemeentelijk belang te behartigen, zoals afvalophaling, streekontwikkeling, en energielevering aan huis. Sinds jaar en dag kent de organieke wetgever die intergemeentelijke samenwerkingsverbanden een 'hybride' rechtsvorm toe. Dit houdt in dat er naast publiekrechtelijke ook privaatrechtelijke elementen aan de basis van hun rechtsvorm liggen, en meer bepaald bepalingen uit het federale vennootschapsrecht. Het in 2019 aangenomen Wetboek Vennootschappen en Verenigingen (WVV) lijkt op het eerste gezicht dan ook een belangrijke impact te hebben op de intercommunales. De Vlaamse decreetgever is er alvast van overtuigd dat er zich aanpassingen opdringen en werkte die reeds uit in een voorontwerp van decreet. Maar brengt de verwijzing in gewestelijke regelgeving naar het federale vennootschapsrecht ook effectief problemen met zich mee? Is er überhaupt een decreetgevend optreden vereist?

Hybride rechtsvorm

Om op institutionele wijze samen te werken, kunnen Vlaamse gemeenten vrij kiezen uit een reeks sui generis-rechtsvormen. Het Decreet Lokaal Bestuur (DLB) verklaart de bepalingen die gelden voor de CVBA aanvullend van toepassing voor alles wat het DLB  niet regelt. De Waalse en Brusselse gemeenten kunnen hun intercommunales baseren op de NV en/of CVBA-vorm, maar – gelet op hun bijzondere aard – zijn afwijkingen mogelijk. Die techniek wordt gehanteerd om de intercommunale werking te vergemakkelijken, zonder dat ze hierdoor een NV of CVBA wordt.

 

Suppletieve rol vennootschapsrecht en dynamische verwijzing

Wat gebeurt er vervolgens met het gewestelijk organiek kader als het vennootschapsrecht zélf wijzigingen ondergaat? De decreetgever verduidelijkte de gevolgen van een dergelijk scenario jammer genoeg niet.

 

Een relevante vernieuwing is dat de CVBA niet langer als vennootschapsvorm bestaat, maar de CV is tegelijkertijd niet louter ter vervanging van de CVBA gecreëerd. Aangezien de dynamische verwijzing in de organieke regelgeving hierdoor niet opgaat, is de impact van het WVV dus beperkt. Doordat een dynamische interpretatie niet kan plaatsvinden, blijven de opgeheven CVBA-bepalingen als een lex specialis gelden t.a.v. de intercommunales in de drie gewesten, en dit tot nader optreden van de decreetgever. De dynamische interpretatie gaat wel op voor Waalse intercommunales die de vorm aannemen van een NV, aangezien de 'nieuwe' NV de 'oude' duidelijk vervangt.    
         

Besluit

 

Het gebruik van het privaatrecht bij de vormgeving van publiekrechtelijke rechtspersonen (zoals intercommunales) is geen nieuw fenomeen, maar er is wel sprake van een precaire verhouding tussen het WVV en de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. De aanname van het WVV vereist geen dringend decreetgevend optreden, maar als dit toch het plan is – zoals de Vlaamse en Waalse decreetgever vooropstellen – dienen zij weloverwogen na te gaan of een aanvullende verwijzing naar de CV beter aansluit bij de intercommunales dan de BV (die voortaan als default-vorm geldt). Gelet op de verminderde leesbaarheid en toegankelijkheid die een dynamische verwijzing met zich meebrengt, zou de creatie van een volledig sui generis-statuut minstens moeten worden overwogen.