Personal-Property-Securities-Register-3
Legal16 september, 2021

Het eigendomsrecht binnen nieuwe goederenrecht ter discussie

‘Van mijn erf af!’ De Glabbeekse rebellie tegen het nieuwe goederenrecht. Bijdrage van Johan Van de Voorde, Universiteit Antwerpen, onderzoeksgroep Persoon en Vermogen, Vrije Universiteit Brussel, onderzoeksgroep CORE. Verschenen in De Juristenkrant, afl. 433.

Als men in de Wetstraat absurde wetgeving doorvoert die het eigendomsrecht van onze inwoners bedreigt, moet ik ingrijpen
PeterReekmans, burgemeester van Glabbeek

De meest opzienbarende bepalingen van het nieuwe goederenrecht zijn blijkbaar het terugnamerecht van per ongeluk op andermans grond gekomen zaken (artikel 3.67, § 1 BW) en het betredingsrecht voor onbebouwde en onbewerkte stukken grond (artikel 3.67, § 3 BW). De socialisering van het eigendomsrecht zorgt voor beroering. Peter Reekmans, burgemeester van Glabbeek, nam op VRT NWS geen blad voor de mond: ‘Als men in de Wetstraat absurde wetgeving doorvoert die het eigendomsrecht van onze inwoners bedreigt, moet ik ingrijpen’, en ‘Daarom zal ik op de eerstvolgende gemeenteraad, die op 9 september plaatsvindt, een politieverordening uitvaardigen die de nieuwe wetgeving tegenhoudt. Het eigendomsrecht moet absoluut blijven en met een politieverordening kunnen we daar voor zorgen. Overtreders sanctioneren we met een gemeentelijke administratieve sanctie.’ Reekmans wil een politieverordening nemen ‘houdende verbod tot het betreden van private eigendommen’, geagendeerd op de vergadering van de gemeenteraad van 9 september 2021. Maar kan een politieverordening de uitoefening van de rechten besloten in artikel 3.67, §§ 1 en 3 BW verbieden?

Lees de volledige  bijdrage in Jura →  

Artikel 119 nieuwe gemeentewet bepaalt dat gemeentelijke verordeningen de ‘wetten, de decreten, de ordonnanties, de reglementen en de besluiten van de staat, de gewesten, de gemeenschappen, de gemeenschapscommissies, de provincieraad en de bestendige deputatie van de provincieraad’ moeten eerbiedigen. Dat geldt zelfs voor wetten die slechts van aanvullend recht zijn (Cass. 8 maart 2012, Arr.Cass. 2012, 572, RW 2013-14, 1660, noot I. Claeys en S. Rynwalt; Gent 16 oktober 2014, NjW 2016, 37, noot Th. Verheyen), er natuurlijk van uitgaande dat de aanvullende aard geen machtiging inhoudt voor gemeenten om van de wet in kwestie af te wijken. Artikel 3.67, §§ 1 en 3 BW hebben kracht van wet, ook al is het van aanvullend recht, zodat gemeentereglementen niet kunnen verbieden om het terugname- en betredingsrecht uit te oefenen binnen de wettelijke parameters. De wettekst bevat overigens geen enkele machtiging voor lokale overheden om afbreuk te doen aan de wettelijk erkende rechten. Hoogstens zou een politieverordening kunnen gelden als een betredingsverbod in de zin van artikel 3.67, § 3 BW voor de gronden waarvan de gemeente eigenaar is.

Wat betekent dat in de praktijk? De Glabbeekse politieverordening is prima facie illegaal. Op grond van artikel 159 Gw. moet de rechterlijke macht dus weigeren om de politieverordening toe te passen, wat betekent dat er geen gemeentelijke administratieve sancties kunnen worden opgelegd of minstens dat ze automatisch vernietigd worden ingeval van beroep. In het objectieve contentieux kan het bestuurlijk toezicht van artikelen 326-334 decreet lokaal bestuur ingrijpen en de politieverordening vernietigen, hetzij ambtshalve, hetzij na een klacht. Ook is een beroep tot vernietiging bij de Raad van State mogelijk.

Burgemeester Peter Reekmans laat duidelijk uitschijnen dat hij bepalingen van een wet wenst te schorsen in zijn gemeente. Dat doet de vraag rijzen naar de mogelijke toepasbaarheid van het politieke misdrijf van inmenging in de wetgevende macht (dat overigens ook herhaaldelijk gesteld lijkt te zijn in verband met de talrijke deels of volledig illegale mondmaskerplichten. Als politiek misdrijf wordt de inmenging in de wetgevende macht beoordeeld door het hof van assisen (artikel 150 Gw.).

Artikel 239 Sw. stelt burgemeesters en de leden van bestuurlijke lichamen (en de provinciegouverneurs en arrondissementscommissarissen) strafbaar wanneer zij ‘zich inmengen in de uitoefening van de wetgevende macht’, wat artikel 237, tweede lid Sw. definieert als ‘hetzij door verordeningen te maken die wetgevende bepalingen inhouden, hetzij door de uitvoering van een of meer wetten te stuiten of te schorsen, hetzij door te beraadslagen over de vraag of die wetten zullen worden uitgevoerd’. Kort samengevat betreft het de uitoefening van een veto. De uitspraken van de burgemeester geven duidelijk aan dat hij een deel van het burgerlijk wetboek wil stuiten of schorsen.

De burgemeester valt duidelijk onder het personele toepassingsgebied van artikel 239 Sw. Maar het betreft een politieverordening genomen door de gemeenteraad. Vallen de leden van de gemeenteraad ook onder het toepassingsgebied van artikel 239 Sw.? Het begrip ‘leden van bestuurslichamen’ wordt in de rechtsleer ruim opgevat. Daaruit volgt dat ook de gemeenteraadsleden die stemmen voor het voorstel van politiereglement vervolgd kunnen worden. De stemming is openbaar (artikel 34, eerste lid decreet lokaal bestuur).

Dan rest er nog het opzet. In de rechtsleer woedt een controverse over welk opzet vereist is om het misdrijf van inmenging in de wetgevende macht te plegen. Soms is een algemeen opzet voldoende, soms wordt een bijzonder opzet vereist. Wat burgemeester Reekmans betreft, is deze discussie weinig relevant, want beide vormen van het opzet zijn duidelijk aanwezig. Bij de gemeenteraadsleden kan een algemeen opzet vermoedelijk zonder veel problemen aangetoond worden, maar een bijzonder opzet ligt moeilijker.

Van mijn erf af? Misschien, maar een verbodsbordje heeft meer kans op slagen en minder kans op een assisenproces voor het plegen van een politiek misdrijf.

Legalworld
Legalworld Newsletter
Het recentste nieuws gratis in uw mailbox