170507-worldhdr_divide-1920x1080
Fiscaliteit & Accounting25 november, 2021

Wettelijke aanwas van onverdeeld of gemeenschappelijk vruchtgebruik: hoe zit het fiscaal?

We zijn met z'n allen reeds lang vertrouwd met het beding van aanwas en de fiscale contouren ervan zijn bekend. Sinds kort bestaat er echter ook zoiets als ‘wettelijke aanwas’ – een nieuw rechtsbeginsel in het onderdeel vruchtgebruik van ons nieuwe goederenrecht . De vraag is nu hoe die figuur belast wordt.Op 1 september 2021 is het nieuwe Boek 3 “Goederen” van het Burgerlijk Wetboek in werking getreden (op enkele uitzonderingen na) en hebben we afscheid genomen van het vroegere boek II zoals het in 1804 in ons BW was geïnstalleerd. Een zakelijk recht waaraan best wel wat wijzigingen zijn aangebracht, betreft het vruchtgebruik.


Juridisch: de algemene regels

Aan het principieel precaire karakter van het recht van vruchtgebruik is niet geraakt: het stopt nog steeds bij de dood van zijn titularis. Andersluidende bedingen worden voor niet geschreven gehouden. Toch wordt het leven van de titularis als maximale duurtijd van het recht van vruchtgebruik in het nieuwe goederenrecht genuanceerd. Want in het geval van een onverdeeld of gemeenschappelijk vruchtgebruik – wat dus het bestaan van een vruchtgebruik op het hoofd van twee of meer personen veronderstelt – geeft het overlijden van een vruchtgebruiker aanleiding tot een wettelijke (en dus automatische) aanwas ten voordele van de langstlevende van de vruchtgebruikers (als er meerdere langstlevende vruchtgebruikers zijn, gebeurt die aanwas naar evenredigheid van hun aandeel).

Het is partijen echter toegestaan conventioneel af te wijken van het principe van de wettelijke aanwas (cf. de aanhef van het wetsartikel: “behoudens andersluidend beding”). Als partijen dus wensen dat bij overlijden van één van de vruchtgebruikers zijn/haar vruchtgebruik uitdooft, waardoor de zogenaamde ‘elasticiteit’ van het eigendomsrecht ten voordele van de blote eigenaar(s) speelt, dan kunnen ze daarin voorzien. Met deze nieuwe bepaling, zo blijkt uit de voorbereidende werken, wordt een rechtsonzekerheid uit de wereld geholpen. In de praktijk werd een dergelijke aanwas immers doorgaans georganiseerd via een expliciete clausule van aanwas, maar er was bij een bepaalde strekking twijfel: zij vroegen zich af of dat niet strijdig was met het oude artikel 617 BW, dat stelt dat vruchtgebruik eindigt door de dood van de vruchtgebruiker.

Aan de discussies daarover wordt nu definitief een einde gesteld en de wettelijke regeling beantwoordt aan de bedoeling van partijen in de meest voorkomende gevallen. De Koninklijke Federatie van het Notariaat heeft bovendien gepleit voor de nieuwe wettelijke regeling. De doctrine benadrukt dat de aanwas van rechtswege een algemene draagwijdte heeft omdat dat uit de bewoordingen van het wetsartikel blijkt. Het geldt dus zowel tussen gehuwde als niet-gehuwde partners. Tussen gehuwden maakt het niet uit of het vruchtgebruik deel uitmaakt van het gemeenschappelijk vermogen dan wel of het in onverdeeldheid tussen hen bestaat.

Volgens sommigen geldt de aanwas van rechtswege ook voor onverdeeld vruchtgebruik waarbij één of meerdere rechtspersonen betrokken zijn. Men zou daar echter aan kunnen twijfelen. Uit de aanhef van artikel 3.141, lid 4 BW blijkt immers dat de bepaling een afwijking is van lid 2, 2° van het wetsartikel, en dat gaat over het “overlijden” van de persoon op wiens hoofd het vruchtgebruik is gevestigd. Welnu, rechtspersonen overlijden niet. Anderzijds wordt volgens artikel 3.141, lid 3 BW de faillietverklaring of ontbinding van een vennootschap gelijkgesteld met beëindigingsgronden in de zin van lid 2 van het wetsartikel. Bovendien spreekt artikel 3.141, lid 4 BW niet expliciet over “natuurlijke personen” maar over “personen” kortweg, wat dan weer doet vermoeden dat rechtspersonen er ook onder vallen. Het principe geldt verder zowel voor (een onverdeeld of gemeenschappelijk vruchtgebruik op) roerende goederen als voor onroerende goederen.

Hoe het onverdeelde of gemeenschappelijke vruchtgebruik is ontstaan, is van geen tel want de wettekst bepaalt op dat vlak niets bijzonders. Het kan gaan om een erfrechtelijk vruchtgebruik dat verspreid is over meerdere titularissen bijvoorbeeld als gevolg van een testament. Het kan even goed gaan om een onverdeeld of gemeenschappelijk vruchtgebruik dat voortvloeit uit een vestigingstitel onder levenden (zowel rechtstreekse vestiging als vestiging via ‘retentie’ n.a.v. de overdracht van blote eigendom met voorbehoud van vruchtgebruik).

Voorbeelden van mogelijke toepassingsgevallen zijn o.a.:

  • X en Y (vader en moeder) gaan over tot een ‘gesplitste’ aankoop van een onroerend goed waarbij zij samen het levenslange vruchtgebruik kopen (voor rekening van de huwelijksgemeenschap of in onverdeeldheid voor rekening van hun respectievelijke eigen vermogens) en hun kinderen de blote eigendom;
  • X en Y zijn een ongehuwd koppel (of een gehuwd koppel) en samen eigenaar van een roerend goed dat ze met voorbehoud van vruchtgebruik aan hun kinderen schenken;
  • X (per hypothese ongehuwd en kinderloos) maakt een testament waarbij hij zijn woning in levenslang vruchtgebruik nalaat aan zijn beide zussen Y en Z en in blote eigendom aan zijn
    enige broer Q. Enzovoort.

Merk tenslotte nog op dat bij echtgenoten een overlap met het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik mogelijk is. Die laatste regeling is in ons erfrecht binnengeslopen n.a.v. de laatste hervorming. Het betreft het geval van een gehuwd persoon die tijdens zijn huwelijk (ongeacht zijn huwelijksregime) een goed schenkt (roerend of onroerend; eigen goed of aandeel in onverdeeld of gemeenschappelijk goed) (aan om het even wie) (enkel schenkingen vanaf 1 september 2018). Als die persoon schenkt met voorbehoud van vruchtgebruik en later komt te overlijden (en op dat ogenblik nog zelf vruchtgebruiker is), dan komt dat vruchtgebruik automatisch (want bij wet bepaald) toe aan zijn langstlevende echtgenoot of echtgenote. In hoofde van de langstlevende echtgenoot is wel vereist dat die al gehuwd was met de schenker toen die laatste de schenking deed en dat hij/zij effectief tot de nalatenschap komt. Een zelfde regeling bestaat voor wettelijke samenwoners voor zover de schenking met voorbehoud van vruchtgebruik de gezinswoning en daarin aanwezige huisraad tot voorwerp heeft.

Stel: X en Y zijn gehuwd onder gemeenschap van goederen en schenken in het kader van successieplanning het appartement aan zee aan hun beide kinderen A en B met voorbehoud van vruchtgebruik. In de schenkingsakte is geen conventionele aanwas van het vruchtgebruik in het voordeel van de langstlevende X of Y bedongen. Het gemeenschappelijke vruchtgebruik dat daardoor is ontstaan (ingevolge ‘retentie’) valt – naar ons oordeel – zowel onder artikel 858bis § 3 BW (wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik) als onder artikel 3.141, lid 4 BW (wettelijke aanwas). Rijst de vraag: welke bepaling heeft dan voorrang (in de hypothese dat er niet in een coventionele aanwas of terugval is voorzien)? Ogenschijnlijk heeft die vraag geen praktisch belang want in beide gevallen krijgt de langstlevende hetzelfde, namelijk het gehele vruchtgebruik op het geschonken goed. Toch is de vraag van belang, niet alleen civielrechtelijk maar ook fiscaal.

Sommigen pleiten voor een voorrang van de Erfwet op het Goederenrecht op grond van: a) de regel van de subsidiariteit, die van toepassing is op het ganse Boek 3 en b) de regel dat het Erfrecht als lex specialis geldt boven het Goederenrecht, dat in deze dan meer een lex generalis is. Anderen laten de wettelijke aanwas primeren op het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik omdat de aanwas inherent is aan het recht van vruchtgebruik. Volgens nog anderen is er geen overlap tussen beide regelingen en lijkt het toepassingsgebied van beide bepalingen uit elkaar te kunnen worden gehouden. Het laatste woord is daarover duidelijk nog niet gezegd. De vraag is of de wetgever niet best tussenbeide komt via een reparatiewet om klaarheid te scheppen over het toepassingsgebied van beide bepalingen of minstens een voorrangsregeling uit te werken.

Fiscaal: (vooral) goed nieuws

Blijft de vraag wat het fiscale regime is van de wettelijke aanwas in geval van onverdeeld of gemeenschappelijk vruchtgebruik op basis van artikel 3.141, lid 4 BW. Ons inziens moeten we in de huidige stand van onze wetgeving besluiten dat er registratierechten noch successierechten verschuldigd zijn.

Geen registratiebelasting

Dat er geen registratierechten op de wettelijke aanwas verschuldigd zijn, staat o.i. als een paal boven water. De wettelijke aanwas geeft immers in hoofde van de langstlevende van de vruchtgebruikers aanleiding tot een verkrijging krachtens de wet. En het behoort tot de (ongeschreven) algemene principes van ons registratierecht dat verkrijgingen krachtens de wet geen aanleiding geven tot evenredige registratierechten. Dus noch schenkbelasting noch verkooprecht noch enig ander evenredig registratierecht kan o.i. geheven worden. En stel dat van de wettelijke aanwas toch een notariële akte geredigeerd zou worden bijvoorbeeld wanneer hij slaat op een onroerend goed om aan de overgang de nodige hypothecaire publiciteit te geven? In dat geval blijft de heffing op zo’n akte beperkt tot het algemeen vast recht van € 50.

Ook geen erfbelasting

En erfbelasting/successierechten? Ook niet. Erfbelasting wordt immers niet automatisch geheven op alle goederen die overgaan ingevolge het overlijden maar enkel op wat overgaat op grond van erfrecht, testament of contractuele erfstelling. Een samenlezing van artikel 2.7.1.0.2 en 2.7.3.1.1 VCF leert ons dat – zie in het bijzonder het laatstgenoemde wetsartikel, waarin staat dat successierecht geheven wordt op alles wat “uit de nalatenschap” van een rijksinwoner wordt verkregen. Een verkrijging die louter en alleen gebaseerd is op ons goederenrecht, is dus geen verkrijging die onderhevig is aan successierechten. Tenzij natuurlijk de wetgever er anders over beslist door het expliciet te gaan belasten. Het Vlaams Gewest heeft dat – in tegenstelling tot het Brussels en Waals gewest – gedaan met het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik.

Voorlopig heeft het Vlaams Gewest, bij ons weten, nog geen initiatief in de pipeline zitten om de wettelijke aanwas te gaan belasten in de erfbelasting. We mogen bovendien niet uit het oog verliezen dat er een fundamenteel onderscheid is tussen een verkrijging van het vruchtgebruik door de langstlevende als WTOV en een verkrijging van het vruchtgebruik door de langstlevende via de wettelijke aanwas. In het eerste geval gaat het om een nieuw, eigen erfrechtelijk vruchtgebruik dat de langstlevende echtgenoot (of wettelijke samenwoner in sommige gevallen) verkrijgt in zijn/haar hoedanigheid van erfgenaam terwijl het in het tweede geval gaat om de voortzetting van een reeds bestaand vruchtgebruik buiten iedere context van erfrecht om.

Wat we hierboven inzake Vlaamse erfbelasting hebben geschreven, geldt evenzeer voor de Brusselse en Waalse successierechten. Ook daar is het bedoeling om enkel goederen die “uit de nalatenschap” komen, te belasten. Zie artikel 2 Br. en W.W.Succ., dat stelt dat successierechten verschuldigd zijn op de “erfgoederen”. Ook daar dus een duidelijke verwijzing naar een verkrijging “uit de nalatenschap” op basis van erfrecht. En dus ook in die gewesten kunnen er geen successierechten geheven worden als de verkrijging gebaseerd is op iets anders, wat bij een wettelijke aanwas het geval is omdat het een verkrijging betreft die louter gebaseerd is op ons goederenrecht.

Voor de drie gewesten kunnen we samenvattend stellen dat de wettelijke aanwas geen aanleiding geeft tot heffing van erfbelasting/successierecht omdat het geen verkrijging ‘bij’ overlijden is waarbij de langstlevende van de vruchtgebruikers iets verkrijgt door zijn hoedanigheid van erfgenaam. Het is slechts een verkrijging ‘naar aanleiding’ van overlijden, op grond van een andere rechtstitel die zich situeert buiten de nalatenschap van de erflater, in casu de wet. Merk op dat dezelfde redenering aan de basis ligt van het feit dat ook een conventioneel beding van aanwas buiten de erfbelasting/het successierecht blijft omdat ook dan de verkrijging gebeurt op basis van een andere rechtstitel buiten de nalatenschap om, meer bepaald een contract onder levenden.

Hoger hebben we al gesignaleerd dat één en dezelfde hypothese (bv. schenking door gehuwden van een goed dat hen beiden toebehoort met voorbehoud van vruchtgebruik) zowel aanleiding kan geven tot toepassing van artikel 858bis, § 3-§ 4 BW (WTOV) als tot toepassing van artikel 3.141, lid 4 BW (aanwas van rechtswege) en dat dan civielrechtelijk de vraag rijst welke van beide wetsbepalingen voorrang krijgt. Benieuwd welk standpunt Vlabel daarover zal innemen. De fiscus heeft er immers alle belang bij om in zo’n geval artikel 858bis, § 3-§ 4 BW te laten primeren want dan kan hij erfbelasting heffen (art. 2.7.1.0.2 lid 2 VCF). Anderzijds is het eigenlijk niet aan Vlabel om daarover überhaupt standpunt in te nemen want het behoort niet tot zijn bevoegdheid zich uit te spreken over civielrechtelijke kwesties. Het zou van goed fiscaal bestuur getuigen mocht Vlabel in dit debat in eerste instantie het standpunt van de partijen volgen, in afwachting dat er zich stabiele rechtspraak ontwikkelt over die rechtsvraag.

Auteur: Eric SPRUYT erenotaris, prof. KU Leuven en Fiscale Hogeschool

Back To Top