Aerial view of residential district
Legal13 mei, 2024

(On)behoorlijk burgerschap in de ruimtelijke ordening

Auteur: Benjamin DESCAMPS
Dit is een samenvatting. Blijf bij en lees al onze expertbijdrages op Jura!

Dat de Vlaamse ruimtelijke ordening gekenmerkt wordt door een toenemend aantal betwistingen en juridische procedures staat buiten kijf. Om die reden beoogt de decreetgever al enige tijd om behoorlijk burgerschap ingang te doen vinden in het bestuursprocesrecht met als doel om strengere ontvankelijkheidsvoorwaarden in te stellen. Het streven naar een soepelere en efficiëntere besluitvorming in de ruimtelijke ordening heeft geleid tot wetgevende initiatieven, waaronder het Optimalisatiedecreet van 2021 dat het beginsel van behoorlijk burgerschap wou invoeren als ontvankelijkheidsvoorwaarde voor het instellen van een beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb). Het Grondwettelijk Hof heeft de decreetgever echter teruggefloten.

Op 11 april 2023 heeft het Grondwettelijk Hof een arrest geveld (arrest nr. 59/2023) waarbij het artikel 6 van het Optimalisatiedecreet van 2021 heeft vernietigd. Dit artikel introduceerde nieuwe ontvankelijkheidsvoorwaarden voor het instellen van beroepen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb) in Vlaanderen. De vernietigde voorwaarden, met betrekking tot belangenschade, de relativiteitseis en de attentieplicht, zijn aangevochten door verschillende burgers, milieuverenigingen en de Orde van de Vlaamse balies.

Belangenschade, relativiteitseis en attentieplicht

Het Hof oordeelde dat hoewel toegang tot de rechter onderworpen kan worden aan bepaalde voorwaarden, deze voorwaarden niet dusdanig mogen zijn dat ze de essentie van het recht op toegang tot de rechter beperken. Met betrekking tot de eerste voorwaarde, belangenschade, oordeelde het Hof dat deze grondwettig is. De decreetgever had deze voorwaarde ingesteld om te voorkomen dat het begrip belangenschade te ruim werd geïnterpreteerd, maar het Hof voegde daaraan toe dat milieuverenigingen altijd worden geacht in hun collectief belang te worden geschaad door onwettigheden bij besluitvorming in omgevingszaken, waardoor hun recht om dergelijke onwettigheden aan te vechten niet kan worden beperkt.

Echter, het Hof verwierp de relativiteitseis en de attentieplicht als zijnde ongrondwettig. De relativiteitseis, die vereist dat een norm of rechtsbeginsel waarop beroep wordt gedaan, kennelijk moet strekken tot bescherming van de belangen van de partij die zich erop beroept, werd vernietigd omdat deze beperking de rechtsbescherming zou verminderen en niet bijdraagt aan het beoogde doel van de decreetgever om de bestuursrechtspraak beter af te stemmen op de concrete positie van procespartijen. Bovendien was het beschermingsbereik van de meeste normen in omgevingszaken moeilijk vast te stellen, wat leidde tot onvoorspelbaarheid en inbreuk op het rechtszekerheidsbeginsel. Evenzo werd de attentieplicht als ongrondwettig bestempeld omdat het Hof concludeerde dat deze plicht de rechtszoekende zou kunnen belemmeren om beschikbare rechtsmiddelen te benutten. Het opleggen van een dergelijke verplichting zou niet bijdragen aan de doelstellingen van rechtszekerheid en goede rechtsbedeling, maar eerder een hindernis vormen voor het voeren van geschillen ten gronde.

Implicaties

Deze uitspraak heeft belangrijke implicaties voor de omgevingsrechtpraktijk in Vlaanderen, aangezien de vernietigde ontvankelijkheidsvoorwaarden een invloed hadden op de mogelijkheid van burgers en milieuverenigingen om rechtsmiddelen in te stellen. De vernietiging ervan door het Grondwettelijk Hof zal naar verwachting leiden tot heroverweging en herziening van het beleid op dit gebied. In een poging om de vergunningverlening in Vlaanderen efficiënter te laten verlopen en meer rechtszekerheid te creëren, voerde de decreetgever nieuwe ontvankelijkheidsvoorwaarden in bij een procedure voor de RvVb. Allicht heeft de decreetgever op al te forse wijze grenzen in het Vlaamse bestuursprocesrecht willen verleggen met de bedoeling om burgers in een zo vroeg mogelijk stadium van de besluitvormingsprocedure te responsabiliseren. Gelet op eerdere rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en Europese jurisprudentie had de decreetgever kunnen inzien dat de herijking van de verhouding tussen burger en overheid een bijzonder delicate evenwichtsoefening is. Na het arrest nr. 59/2023 is de nood aan een passend leerstuk inzake behoorlijke burgerschap in het omgevingsrecht er in elk geval niet minder op geworden. Kwade trouw, lichtzinnigheid en nalatigheid zijn gronden om de toegang tot de rechter voor de burger te ontzeggen en zouden een eerste haalbare formalisering van de beginselen van behoorlijk burgerschap kunnen zijn.
Legalworld
Legalworld Newsletter
Ontvang net als 7.500 andere experts maandelijks het meest recente nieuws en krachtige inzichten uit de juridische sector.
Back To Top