contract
Legal05 maart, 2021

Niet-concurrentieverbintenis van vennootschapsbestuurders

Sarah DE GEYTER, “Niet-concurrentieverbintenis van bestuurders. Tijdens en na de beëindiging van hun bestuursmandaat”, NjW 2021, afl. 438, 194.

In arrest van 25 juni 2020 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de contractuele niet-concurrentieverbintenis van bestuurders van vennootschappen in principe een einde neemt bij de beëindiging van hun mandaat. Dit bijzonder helder geformuleerde arrest geeft een mooi overzicht van de principes. Op 10 maart 2021 verscheen in aflevering 438 van het Nieuw Juridisch Weekblad (NjW) een bijdrage hierover geschreven door Sarah De Geyter.

Niet-concurrentieverbintenis tijdens de uitoefening van het bestuursmandaat

Voor bestuurders van vennootschappen geldt een contractuele niet-concurrentieverbintenis tijdens de uitoefening van hun bestuursmandaat. Deze niet-concurrentieverbintenis staat niet expliciet in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Zij wordt gesteund op de wettelijke verplichting om overeenkomsten te goeder trouw uit te voeren, die van toepassing is op het contract tussen de bestuurder en de vennootschap. Bestuurders hebben een loyauteitsverplichting die inhoudt dat zij geen concurrerende activiteit mogen uitoefenen zolang hun bestuursmandaat duurt.

Einde niet-concurrentieverbintenis na afloop van het bestuursmandaat

Verder bevestigt het Hof van Cassatie de meerderheidsopvatting in de rechtsleer en de rechtspraak die ervan uitgaat dat de niet-concurrentieverbintenis van bestuurders in principe een einde neemt na de beëindiging van hun bestuursmandaat. Het klassieke argument hiervoor is dat de verplichting om de bestuursovereenkomst te goeder trouw uit te voeren, ophoudt wanneer de overeenkomst een einde neemt. Dan speelt opnieuw de vrijheid van ondernemen. Bestuurders kunnen bijgevolg concurrerende activiteiten uitvoeren of een bestuursmandaat opnemen in een concurrerende vennootschap.

Mogelijke begrenzing

Het Hof van Cassatie geeft meteen ook aan wat de grenzen zijn van de vrije concurrentie door gewezen bestuurders. Het blijft immers mogelijk om in de bestuursovereenkomst tussen de vennootschap en de bestuurder een niet-concurrentiebeding op te nemen dat ook na het ontslag van de bestuurder blijft gelden. Het gaat dan om een post-contractuele niet-concurrentieverbintenis die moet voldoen aan de algemene geldigheidsvoorwaarden voor niet-concurrentiebedingen (beperkt in tijd, ruimte en wat activiteiten betreft). Daarnaast mogen gewezen bestuurders zich ook niet schuldig maken aan oneerlijke marktpraktijken wanneer zij concurrerende activiteiten uitvoeren na afloop van hun mandaat.

In arrest van 25 juni 2020 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de contractuele niet-concurrentieverbintenis van bestuurders van vennootschappen in principe eindigt bij de beëindiging van hun mandaat.

Auteur :

Sarah De Geyter

Senior Manager Legal, Mazars ALTOS CV –Vrijwillig postdoctoraal medewerker (UGent, Instituut financieel recht)

Sarah De Geyter