Legal 14 september, 2026

Box 3 in beweging: hoe wordt inkomsten uit vermogen vanaf 2028 belast?

Box 3 is al jaren onderwerp van discussie. De kern van het probleem is bekend: belastingplichtigen betaalden belasting over een forfaitair rendement dat niet altijd aansloot bij het werkelijk behaalde rendement.

Waarom het huidige box 3-stelsel niet houdbaar bleek 

De Hoge Raad zette het stelsel onder druk, waarna de politiek op zoek moest naar een alternatief dat beter aansluit bij de werkelijke opbrengst van vermogen. Daarmee komt ook een einde aan een lange ontwikkeling binnen de inkomstenbelasting. Voor de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 werd inkomsten uit vermogen belast met inkomstenbelasting en werd vermogen bovendien belast via de vroegere vermogensbelasting. Met de invoering van box 3 werd gekozen voor een systeem van forfaitair rendement. Inmiddels ligt met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (Kamerstukken II 2024/25, 36748) een nieuw model op tafel dat opnieuw uitgaat van het werkelijke resultaat uit vermogen.  

Het nieuwe uitgangspunt: belasting over werkelijk rendement 

Met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wil het kabinet vanaf 1 januari 2028 afscheid nemen van de forfaitaire benadering. In plaats daarvan wordt het werkelijke rendement belast. Daarbij gaat het niet alleen om rente, dividend en huurinkomsten, maar ook om waardeontwikkelingen van vermogen. Het voorgestelde stelsel kent onder meer: 

  • een tarief van 36%;
  • een heffingsvrij resultaat van € 1800;
  • kostenaftrek;
  • verliesverrekening;
  • een administratieplicht voor bepaalde belastingplichtigen.

Volgens het kabinet sluit een heffing op basis van werkelijk rendement beter aan bij het draagkrachtbeginsel dan het huidige forfaitaire stelsel.  

Vermogensaanwasbelasting als nieuwe hoofdregel 

De kern van het wetsvoorstel is een vermogensaanwasbelasting. Dat betekent dat niet alleen gerealiseerde opbrengsten worden belast, maar ook ongerealiseerde waardestijgingen. Anders gezegd: een stijging van de waarde van aandelen of andere beleggingen kan al tot belastingheffing leiden voordat daadwerkelijk wordt verkocht.  
 
Het kabinet verdedigt deze keuze met economische argumenten. Een vermogensaanwasbelasting zou minder verstorend werken dan een vermogenswinstbelasting, omdat waardestijgingen niet kunnen worden uitgesteld door simpelweg niet te verkopen. Bovendien worden verschillende vormen van rendement op een vergelijkbare manier belast. Tegelijk roept deze systematiek vragen op. Vooral het belasten van nog niet gerealiseerde winsten zorgt voor discussie. De term ‘belasting op papieren winsten’ komt dan ook regelmatig terug in het politieke debat.  

Wanneer geldt een vermogenswinstbelasting? 

Niet alle vermogensbestanddelen vallen onder de hoofdregel. Voor onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups kiest de wetgever voor een vermogenswinstbelasting. In die gevallen wordt de waardestijging pas belast wanneer sprake is van realisatie, bijvoorbeeld bij verkoop, overlijden of emigratie. De reden is vooral praktisch. Deze vermogensbestanddelen zijn vaak minder liquide. Belastingheffing over een waardestijging waarvoor nog geen geld beschikbaar is, wordt daarom minder wenselijk geacht.  

Voor deze categorieën wordt bovendien gewerkt met een zogenoemde step-up per 1 januari 2028. Voor woningen is deze overgangsregeling uitgewerkt in het voorgestelde art. 10a.31 Wet IB 2001. Daarmee moet worden voorkomen dat waardestijgingen uit het verleden opnieuw worden belast.  

Vastgoed: de achilleshiel van het nieuwe stelsel 

Vrijwel geen onderdeel van het wetsvoorstel krijgt zoveel aandacht als vastgoed. De discussie gaat daarbij niet alleen over verhuurde woningen, maar vooral over woningen die beschikbaar zijn voor eigen gebruik, zoals vakantiewoningen.  

Het kabinet is van mening dat ook eigen gebruik een economisch voordeel oplevert. Daarom wordt gewerkt met een vastgoedbijtelling. Voor woningen wordt voor het berekenen van deze bijtelling uitgegaan van 3,35% van de WOZ-waarde. Deze regeling is opgenomen in het voorgestelde art. 5.19 Wet IB 2001. Juist deze vastgoedbijtelling ligt onder een vergrootglas. In de Tweede Kamer zijn verschillende moties aangenomen die vragen om actualisatie van het vastgoedbijtellingspercentage, aanvullend onderzoek naar vakantiewoningen en een verkenning van een tegenbewijsregeling voor eigen gebruik van vastgoed. Ook in de Eerste Kamer zijn veel vragen gesteld over de juridische houdbaarheid van deze regeling en de aansluiting bij het werkelijke rendement.  

De politieke strijd over belasting op papieren winsten 

De discussie over box 3 draait steeds vaker om één fundamentele vraag: moet belasting worden geheven zodra vermogen in waarde stijgt, of pas wanneer die stijging daadwerkelijk wordt verzilverd?  Voorstanders van de vermogensaanwasbelasting wijzen erop dat ongerealiseerde waardestijgingen de draagkracht van de belastingplichtige verhogen. Tegenstanders benadrukken juist dat die waardestijging nog geen liquide middelen oplevert. Dat verschil in benadering is inmiddels uitgegroeid tot de centrale politieke discussie rond de toekomst van box 3.  

Waarom steeds meer partijen kiezen voor vermogenswinstbelasting 

Opvallend genoeg werd het wetsvoorstel door de Tweede Kamer aangenomen, terwijl diezelfde Tweede Kamer tegelijkertijd verschillende moties aannam die juist sturen op een volledige vermogenswinstbelasting.  

Onder meer via de motie-Van Dijk c.s. (Kamerstukken II 2025/26, 36748, nr. 27) en de motie-Vermeer (Kamerstukken II 2025/26, 36748, nr. 35) heeft de Tweede Kamer het kabinet verzocht om toe te werken naar een stelsel gebaseerd op een volledige vermogenswinstbelasting.  

Het kabinet heeft die wens inmiddels omarmd. In recente stukken wordt expliciet aangegeven dat de vermogensaanwasbelasting wordt gezien als een tussenstap en dat gewerkt wordt aan een verdere doorontwikkeling naar een volledig vermogenswinststelsel.  

Box 3 als tussenstation richting een nieuw eindmodel 

Dat maakt de huidige situatie bijzonder. De wet die per 2028 moet ingaan, wordt door veel betrokkenen niet langer gezien als eindstation. 

Volgens het kabinet bestaat hiervoor maatschappelijk en politiek draagvlak. Tegelijk wordt erkend dat een volledige overgang naar een vermogenswinstbelasting tijd kost en aanzienlijke budgettaire gevolgen heeft. Ook moeten oplossingen worden gevonden voor vraagstukken zoals uitstelgedrag, verliesverrekening en uitvoerbaarheid.  

Wat betekent dit voor de praktijk? 

Voor belastingadviseurs en juristen is één conclusie nu al duidelijk: de complexiteit neemt toe. 

Dat was ook een van de belangrijkste kritiekpunten van de Raad van State. In advies W06.24.00138/III werd gewaarschuwd voor de gevolgen voor burgers, de Belastingdienst en de uitvoerbaarheid van het stelsel.  

Waarderingsvraagstukken, vastgoedbijtelling, verliesverrekening, de administratieplicht en de keuze tussen vermogensaanwas- en vermogenswinstsystematiek zullen in de praktijk een belangrijke rol gaan spelen. Ook verwacht de Belastingdienst meer behoefte aan vooroverleg, onder meer over niet-beursgenoteerde beleggingen en waarderingen.  

De actuele stand van zaken blijkt onder meer uit de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken I 2025/26, 36748, F) en de Nota naar aanleiding van het tweede verslag (Kamerstukken I 2025/26, 36748, H). Daaruit blijkt dat het kabinet vasthoudt aan invoering per 2028, terwijl tegelijkertijd wordt gewerkt aan een verdere doorontwikkeling richting vermogenswinstbelasting. Daar komt bij dat de Eerste Kamer de behandeling van het wetsvoorstel heeft aangehouden in afwachting van een novelle. Op Prinsjesdag 2026 worden verdere aanpassingen verwacht, waaronder mogelijke wijzigingen rond verliesverrekening, het tarief en het heffingsvrije resultaat.  

Conclusie 

Na jaren van procedures, herstelmaatregelen en politieke discussies lijkt Nederland vanaf 2028 daadwerkelijk over te stappen naar een box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement. De hoofdregel wordt een vermogensaanwasbelasting, terwijl voor vastgoed en startups een vermogenswinstbelasting geldt.  

Toch is het debat daarmee niet voorbij. Integendeel. De politieke aandacht verschuift inmiddels naar de vraag of dit hybride stelsel slechts een tussenstation is op weg naar een volledige vermogenswinstbelasting. Wie de ontwikkelingen in box 3 volgt, kijkt daarom niet alleen naar 2028, maar ook naar de jaren daarna.  

Meer weten? Wil je de parlementaire geschiedenis, de memorie van toelichting, de nota’s naar aanleiding van het verslag, de aangenomen moties en de vaktechnische analyses zelf raadplegen? 

Bekijk dan de volledige documentatie in InView Tax. Probeer InView Tax 14 dagen gratis. Ben je al klant? Log dan in en ga direct naar de achterliggende Kamerstukken, Vakstudie Nieuws-bijdragen en commentaren. 

 
Back To Top