Legal 05 oktober, 2026

AI en auteursrecht: meer debat dan duidelijkheid

Wie is de auteur van AI-output? In 2024 stelden we die vraag al eens aan advocaat en hoogleraar intellectuele eigendomsrechten Dirk Visser. Twee jaar later is er meer praktijkervaring én een AI Act, maar daarom niet meer juridische duidelijkheid. Wel is het debat intussen een stuk breder geworden: van het gebruik van beschermd werk voor AI-training en het bewijs van menselijke creativiteit tot de positie van de oorspronkelijke auteur. Simon Geiregat, professor intellectuele eigendomsrecht aan de Universiteit Gent met bijzondere expertise in auteursrecht en digitalisering, maakt de balans op. 

Prof. dr. Simon Geiregat

Prof. dr. Simon Geiregat is universitair docent aan de Universiteit Gent en Tilburg University, gespecialiseerd in intellectuele eigendomsrechten. Zijn expertise situeert zich voornamelijk binnen het auteursrecht, de naburige rechten en het merkenrecht, met een bijzondere interesse in de impact van digitalisering en artificiële intelligentie op het privaatrecht. Naast zijn academische onderzoeks- en onderwijsactiviteiten is hij expert bij VAIA, de Vlaamse AI Academie, en een veelgevraagd spreker over actuele juridische vraagstukken rond AI, data en intellectuele eigendom.

Simon Geiregat

De focus verschuift: van output naar input

In 2024 bleven in het gesprek met Dirk Visser nog heel wat auteursrechtelijke vragen rond GenAI open. Op de vraag of er intussen meer juridische houvast is over GenAI en auteursrecht, antwoordt Simon Geiregat zonder omwegen: “Neen. Alles is nog even onzeker als twee jaar geleden.” Intussen komt de rechtspraak wel stilaan op gang. “Vooral in de Verenigde Staten zijn veel zaken aanhangig, maar voor een duidelijk plaatje moeten we wellicht nog enkele jaren wachten.” 

Opvallend is vooral hoe het debat verschuift. Waar aanvankelijk de output centraal stond - wie is de auteur van wat met AI wordt gemaakt? - gaat het vandaag ook steeds vaker over de input: de boeken, artikels en foto’s waarmee AI-modellen worden getraind. 

De AI Act brengt meer transparantie, maar verandert volgens Simon Geiregat de auteursrechtelijke spelregels niet fundamenteel. “Nieuwe technologie vraagt niet automatisch om nieuwe wetgeving. De Europese wetgever heeft met de AI Act gedaan wat hij moet doen. Of AI-training is toegelaten, moet binnen het bestaande auteursrecht worden uitgeklaard.” 

Voor die auteursrechtelijke vraag komt de Europese uitzondering voor tekst- en datamining (TDM) in beeld. Die maakt het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om beschermd materiaal geautomatiseerd te analyseren, waarbij rechthebbenden zich in bepaalde gevallen via een opt-out kunnen verzetten. Alleen dateert die regeling van vóór de GenAI-doorbraak. “Het concept tekst- en datamining bestaat al sinds de jaren negentig, oorspronkelijk voor toepassingen als webstatistieken en medisch onderzoek.” Of die uitzondering ook op het trainen van GenAI van toepassing is, weten we nog niet. "Het Hof van Justitie zal daarover uitsluitsel moeten geven, maar voorlopig heerst er vooral onduidelijkheid," aldus Simon Geiregat, die verwijst naar de aanhangige zaak Like Company tegen Google Ireland. 

Drie blinde vlekken in het AI-debat

Naast de discussie over AI-training ziet Simon Geiregat nog drie auteursrechtelijke kwesties die vandaag minder aandacht krijgen.  

De eerste is verrassend praktisch: hoe bewijs je dat je géén AI hebt gebruikt? “Je kunt met AI een ontwerp voor een schilderij maken en het nadien zelf schilderen. Aan het eindresultaat zie je niet noodzakelijk welke creatieve keuzes door een mens zijn gemaakt.” Zijn advies aan creatieve makers is dan ook eenvoudig: documenteer het creatieproces. Schetsen en tussenversies kunnen later helpen aantonen hoe een werk tot stand kwam.  

Een tweede onderbelicht punt zijn de naburige rechten. Die kunnen AI-gegenereerde audio en video bescherming bieden waar het klassieke auteursrecht dat mogelijk niet doet. “Bij AI-gegenereerde geluidsfragmenten of video’s is de vraag naar auteursrechtelijke bescherming eigenlijk irrelevant: er geldt sowieso al minstens vijftig jaar bescherming via de naburige rechten.” Voor tekst en afbeeldingen bestaat dat vangnet niet. “Een vraag die op tafel ligt, maar waarover nog bijna niemand geschreven heeft.”  

Tot slot zijn er de morele rechten. Terwijl de AI-discussie vooral draait om vermogensrechten en training, krijgen het recht op naamsvermelding en de integriteit van een werk veel minder aandacht. "Die morele rechten worden zelfs belangrijker dan vroeger. Als een AI-systeem een tekst inkort of de essentie verdraait, heb je een sterk argument om je daartegen te verzetten. Dat aspect wordt vandaag echt nog onderschat."  

Wie schrijft, doet ertoe  

Naast de vraag wie een tekst mag reproduceren, is ook de identiteit van de auteur van belang. Zeker bij juridische teksten, benadrukt Simon Geiregat: weten wie iets schreef, bepaalt mee hoe een standpunt wordt gelezen en gewogen. 

"Een advocaat die een cliënt vertegenwoordigt, argumenteert vanuit een ander perspectief dan een professor die niet bij het dossier betrokken is. Recht is een argumentatieve discipline. Dan moet je weten wie iets heeft geschreven en vanuit welke positie." 

Precies die zichtbaarheid staat bij generieke AI-tools onder druk. “Mijn vrees is dat de namen van individuele auteurs in dergelijke AI-systemen steeds minder bekend zullen worden. Wie er als auteur voor kiest zijn teksten niet door die tools te laten verwerken, dreigt op zijn beurt onzichtbaar te worden. Het is dezelfde paradox als bij Google: als je niet vindbaar bent, besta je voor een groot deel van de wereld niet.” 

Net daarom is én blijft het essentieel dat een AI-antwoord herleidbaar is tot de oorspronkelijke auteur en bron.  

Wie bewaakt de kwaliteit?

Wie bronnen wil kunnen controleren, heeft ook een kwaliteitsfilter nodig. Daar ziet Simon Geiregat een belangrijke rol voor juridische uitgevers, vergelijkbaar met die van professionele journalistiek.  

“Door de opkomst van fake news blijven klassieke media belangrijk als kwaliteits- en waarheidsfilter. Voor juridische uitgevers geldt dezelfde logica: hun rol verandert, maar die kwaliteitsbewaking blijft absoluut nodig. Als AI-modellen alleen openbare blogs en ongecontroleerde internetbronnen indexeren, komt de betrouwbaarheid ernstig onder druk te staan.” 

Maar een kwalitatieve kennisbasis alleen volstaat niet. Ook binnen betrouwbare bronnen kan consensus bias ontstaan, waarbij AI de neiging heeft om meer gewicht te geven aan de meest voorkomende visie. “Het menselijke aspect blijft cruciaal. Stel dat twee auteurs standpunt A verdedigen en één auteur standpunt B. Dan moet een AI-systeem die verschillende visies zichtbaar houden, in plaats van het dominante standpunt automatisch als het juiste antwoord te presenteren. Het minderheidsstandpunt kan juridisch net het sterkste zijn.”  

Daar ligt de waarde van gecontroleerde juridische content: niet alleen in de kwaliteit van de bronnen, maar ook in het zichtbaar houden van verschillende auteurs en argumentatielijnen. 

De auteur blijft de maatstaf

Twee jaar na het interview met Dirk Visser zijn de auteursrechtelijke vragen rond AI niet verdwenen. Ze worden vooral concreter. Voor juridische professionals wordt daarmee steeds belangrijker wat achter een AI-antwoord zit: wie creëerde de onderliggende kennis, op welke bronnen en argumenten steunt het en hoe werd de kwaliteit ervan bewaakt? 

AI kan juridische kennis sneller ontsluiten, maar maakt de auteur, de bron en de kwaliteitscontrole niet minder relevant. Integendeel: net zij bepalen hoeveel vertrouwen een AI-antwoord verdient. De echte meerwaarde ontstaat wanneer technologie wordt verbonden met betrouwbare juridische content en menselijke expertise, zodat ook de bronnen en argumentatie achter het antwoord zichtbaar en controleerbaar blijven. 

Veelgestelde vragen

Valt het trainen van AI-modellen onder de tekst- en datamining-uitzondering? 

Dat is nog niet uitgeklaard. De TDM-uitzondering dateert van vóór de doorbraak van generatieve AI en werd oorspronkelijk ontworpen voor toepassingen als webstatistieken en medisch onderzoek. Het Hof van Justitie moet in de zaak Like Company tegen Google Ireland uitsluitsel geven over de toepassing ervan op AI-training. 

Wie is de auteur van AI-gegenereerde content? 

Daar bestaat nog geen juridische zekerheid over. De discussie verschuift intussen van de vraag wie auteur is van AI-output naar de vraag of het gebruik van beschermd materiaal voor AI-training zelf toegelaten is. Beide vragen moeten binnen het bestaande auteursrecht worden beantwoord; de AI Act verandert de spelregels niet fundamenteel. 

Biedt auteursrecht bescherming aan AI-gegenereerde audio en video? 

Vaak wel, via de naburige rechten, ook als het klassieke auteursrecht niet toepasselijk is. AI-gegenereerde geluidsfragmenten en video's genieten sowieso al minstens vijftig jaar bescherming via de naburige rechten. Voor tekst en afbeeldingen bestaat dat vangnet niet. 

Hoe bewijs je dat een werk zonder AI tot stand kwam? 

Door het creatieproces te documenteren. Het eindresultaat toont niet noodzakelijk welke creatieve keuzes door een mens zijn gemaakt, zeker niet wanneer AI enkel als ontwerphulp diende. Schetsen en tussenversies kunnen achteraf helpen aantonen hoe een werk is ontstaan. 

Worden morele rechten belangrijker in de AI-discussie? 

Ja, en ze krijgen vandaag nog te weinig aandacht. Terwijl het debat vooral over vermogensrechten en training gaat, biedt het recht op naamsvermelding en integriteit een sterk argument wanneer een AI-systeem een tekst inkort of de essentie verdraait. 

Back To Top