Legal 30 september, 2026

AVG, AI en persoonsgegevens: biedt de Digital Omnibus echt meer ruimte?

AI heeft data nodig. Veel data. En waar grote hoeveelheden data worden verwerkt, komen vrijwel onvermijdelijk persoonsgegevens in beeld. Dat roept een fundamentele juridische vraag op: hoeveel ruimte biedt de AVG voor de ontwikkeling en exploitatie van AI-systemen?

Met de Digital Omnibus probeert de Europese Commissie die vraag te beantwoorden. Het voorstel moet digitale regelgeving vereenvoudigen, innovatie stimuleren en de Europese concurrentiekracht versterken. Een opvallend onderdeel is de voorgestelde toevoeging van artikel 88 quater AVG, later in verschillende conceptteksten terug te zien als artikel 88c of artikel 88 bis.

Volgens de Commissie moet deze bepaling meer duidelijkheid bieden over de verwerking van persoonsgegevens voor AI. Maar biedt het voorstel daadwerkelijk meer ruimte voor AI? Of ontstaat vooral de indruk van een versoepeling, terwijl juridisch weinig verandert?

Europa zet in op AI

De Digital Omnibus maakt deel uit van een bredere Europese strategie om innovatie te stimuleren en hoogwaardige data beter beschikbaar te maken voor de AI-economie. Volgens de Commissie zijn data een essentiële grondstof voor economische groei en voor de ontwikkeling van betrouwbare AI-systemen.

Dat is niet verrassend. AI-modellen worden ontwikkeld, getest en verbeterd met grote hoeveelheden gegevens. Denk aan openbare websites, documenten, afbeeldingen en andere bronnen die worden gebruikt voor modeltraining. In die datasets bevinden zich vaak persoonsgegevens.

Voor organisaties ontstaat daardoor een praktisch probleem. Op welke grondslag mogen die persoonsgegevens worden verwerkt? Toestemming vragen aan iedere betrokkene is in veel gevallen niet haalbaar. Daarom wordt al langer gekeken naar het gerechtvaardigd belang als mogelijke juridische basis.

Wat regelt artikel 88 quater?

Artikel 88 quater bepaalt dat de verwerking van persoonsgegevens die noodzakelijk is voor de ontwikkeling en exploitatie van AI-systemen of AI-modellen kan worden gebaseerd op het gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke.

Op het eerste gezicht lijkt dat een belangrijke wijziging van de AVG. Toch introduceert de Commissie geen nieuwe grondslag. Het gerechtvaardigd belang bestaat immers al in artikel 6 lid 1 sub f AVG.
Sterker nog: uit de toelichting blijkt dat de bestaande voorwaarden volledig overeind blijven. Er moet nog steeds sprake zijn van een gerechtvaardigd belang, de verwerking moet noodzakelijk zijn en de belangen van de organisatie moeten zwaarder wegen dan de rechten en vrijheden van betrokkenen. Ook beginselen zoals proportionaliteit, transparantie en minimale gegevensverwerking blijven ongewijzigd van toepassing.

Dat maakt de discussie interessant. Als de juridische toets hetzelfde blijft, wat voegt artikel 88 quater dan precies toe?

Meer dan een privacydiscussie

De Autoriteit Persoonsgegevens, de European Data Protection Board en de European Data Protection Supervisor hebben zich kritisch uitgelaten over de bepaling. Hun belangrijkste bezwaar is dat artikel 88 quater weinig verduidelijkt. De mogelijkheid om een beroep te doen op het gerechtvaardigd belang bestaat immers nu al.

Ook in de juridische literatuur wordt erop gewezen dat de voorgestelde bepaling de indruk kan wekken dat AI-verwerkingen eenvoudiger zijn toegestaan dan daadwerkelijk het geval is. Daardoor zou juist nieuwe rechtsonzekerheid kunnen ontstaan.

Tegelijkertijd klinkt vanuit andere hoek een andere kritiek. Privacyorganisatie noyb waarschuwde recent dat uit uitgelekte voorstellen binnen de Raad van de Europese Unie blijkt dat de Raad de bescherming van persoonsgegevens verder zou willen afzwakken. Volgens noyb dreigt het belang van AI-ontwikkeling daarbij zwaarder te gaan wegen dan het fundamentele recht op gegevensbescherming.

Ondanks die verschillende invalshoeken komt de kritiek op één punt samen: het is onduidelijk welk probleem artikel 88 quater precies oplost.

De rechtspraak blijft bepalend

Om de waarde van het voorstel te beoordelen, is vooral de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van belang.

In recente arresten zoals KNLTB en Meta/Bundeskartellamt heeft het Hof bevestigd dat commerciële belangen, productverbetering en andere economische belangen in beginsel gerechtvaardigde belangen kunnen zijn. Dat lijkt op het eerste gezicht gunstig voor AI-ontwikkelaars.

Tegelijkertijd legt het Hof de noodzakelijkheidstoets en de belangenafweging streng uit. Organisaties moeten aantonen dat de verwerking daadwerkelijk noodzakelijk is en dat hetzelfde doel niet op een minder ingrijpende manier kan worden bereikt. Ook de redelijke verwachtingen van betrokkenen spelen een belangrijke rol.

Juist daar ligt de uitdaging voor AI. Bij webscraping en omvangrijke trainingsdatasets bestaat vaak geen directe relatie tussen de betrokkene en de organisatie die het AI-model ontwikkelt. Bovendien is het lastig te rijmen met het beginsel van minimale gegevensverwerking wanneer enorme hoeveelheden persoonsgegevens worden verzameld om een model te trainen.

De vraag is daarom niet zozeer of AI-ontwikkeling een gerechtvaardigd belang kan zijn. De vraag is vooral of dergelijke verwerkingen de noodzakelijkheidstoets en belangenafweging doorstaan.

Biedt het voorstel echt meer rechtszekerheid?

Dat punt staat centraal in verschillende juridische analyses van de Digital Omnibus. Zo concludeert E. Troll in het artikel De toegevoegde waarde van artikel 88 quater AVG: een kritische analyse (Computerrecht 2026/113) dat artikel 88 quater mogelijk minder toevoegt dan de Europese Commissie beoogt. Zolang de bestaande voorwaarden voor het gerechtvaardigd belang ongewijzigd blijven, is het volgens de auteur de vraag hoeveel extra rechtszekerheid de bepaling daadwerkelijk biedt.

Als rechters dezelfde strenge toets blijven toepassen, verandert er voor veel organisaties weinig.

Sterker nog, de bepaling kan schijnzekerheid creëren. Door AI expliciet te benoemen ontstaat het beeld dat persoonsgegevens voor AI makkelijker kunnen worden verwerkt. In werkelijkheid moeten organisaties nog steeds dezelfde juridische afweging maken als onder het huidige AVG-kader.
Ook het Nederlandse kabinet heeft zich kritisch uitgelaten over dit risico. Een expliciete verwijzing naar AI mag niet de indruk wekken dat het gerechtvaardigd belang automatisch aanwezig is.

Wie profiteert uiteindelijk?

Naast de juridische discussie speelt ook een economische vraag.

De versoepeling wordt gepresenteerd als een manier om Europese innovatie te stimuleren. Tegelijkertijd beschikken juist Amerikaanse technologiebedrijven al over enorme hoeveelheden data, infrastructuur en kapitaal.

Verschillende auteurs vragen zich daarom af of ruimere mogelijkheden voor gegevensverwerking vooral Europese AI-bedrijven helpen, of juist de partijen die nu al vooroplopen. Daarmee raakt de discussie niet alleen aan privacy, maar ook aan concurrentievermogen en industriebeleid.

Conclusie

De Digital Omnibus moet Europa aantrekkelijker maken voor AI-ontwikkeling. Artikel 88 quater AVG speelt daarin een belangrijke rol doordat het expliciet verwijst naar het gerechtvaardigd belang als mogelijke grondslag voor AI-gerelateerde verwerking van persoonsgegevens.

Tegelijkertijd blijft de bestaande AVG-systematiek overeind. De noodzakelijkheidstoets, belangenafweging en overige privacywaarborgen veranderen niet. Juist daarom is het de vraag of artikel 88 quater daadwerkelijk meer ruimte biedt voor AI, of vooral bevestigt wat onder de huidige AVG al mogelijk is.
Voor juristen ligt daarin de echte discussie. Niet of AI belangrijk is voor innovatie, maar of deze voorgestelde wijziging van de AVG daadwerkelijk leidt tot meer rechtszekerheid. Of, zoals verschillende experts zich inmiddels afvragen: is artikel 88 quater een juridische doorbraak, of vooral een papieren oplossing?

Meer weten?

In InView legal vind je actuele wetgeving, jurisprudentie, vakliteratuur en expertanalyses over de AVG, het gerechtvaardigd belang, AI-regelgeving en de Digital Omnibus. Zo kun je ontwikkelingen sneller duiden, standpunten beter onderbouwen en juridische vraagstukken beoordelen met meer zekerheid.

 

Gebruikte bronnen

• Christiaan Alberdingk Thijm, Een Omnibus voor big tech (NJB 2025/2747).
• E. Troll, De toegevoegde waarde van artikel 88 quater AVG: een kritische analyse (Computerrecht 2026/113).
• Digital Omnibus Proposal, Europese Commissie (19 november 2025).

Back To Top