kantoor
Legal05 juli, 2021

Wet op bescherming van personeelsafgevaardigden is aan vereenvoudiging toe

In 2021 vierde de wet van 19 maart 1991 over de bescherming van personeelsafgevaardigden haar 30e verjaardag. Arbeidsrechtadvocaten Olivier Wouters en Ward Bouciqué grepen die verjaardag aan om in het vakblad Oriëntatie een rechtspraakoverzicht te maken van de afgelopen vijf jaar. 

Lees het volledige interview uit De Juristenkrant rechtstreeks  in Jura →


Olivier Wouters
, partner bij Claeys & Engels, stelde samen met counsel Ward Bouciqué een overzicht van 70 pagina’s op van de rechtspraak over deze ene wet van 2016 tot nu.

De wet van 19 maart 1991 was een vervolgwet, de omzetting van een KB van 1978. Men wou de bescherming een sterker juridisch kader geven, en de procedure herschikken. De wet is geschreven als een compromis, met diverse evenwichten in het achterhoofd

[...] 

Wat er vooral uit blijkt, is het grote formalisme en de vele valkuilen in de wet.’
‘Wat ook opvalt, is dat er eigenlijk bijna geen rechtspraak is over de essentie, namelijk over de vraag of er sprake is van een ontslag omwille van iemands syndicale overtuiging. Dat zou toch een interessanter debat zijn. De recht-spraak gaat te veel over dat formalisme en te weinig over de inhoud.’

Om de wet correct toe te passen, heb je als werkgever echt een jurist nodig aan je zijde. Er zijn heel veel stappen die heel correct gevolgd moeten worden. Het minste akkefietje leidt tot een procedurele onregelmatigheid. En dat leidt tot frustraties bij werkgevers

Ruime bescherming

Wouters: ‘Een andere frustratie ligt in het feit dat kandidaat-personeelsafgevaardigden, die opgekomen zijn bij de verkiezingen voor de ondernemingsraad en niet verkozen zijn, toch de ruime bescherming van de verkozenen genieten. Dan krijg je discussies over de vraag of die bescherming identiek moet zijn en even lang moet duren voor de niet-verkozenen. Zeker wanneer het duidelijk is dat de ontslagreden niets te maken heeft met de syndicale kandidatuur. Het kan ertoe leiden dat de bescherming niet gebruikt wordt waarvoor de wet ze had bedoeld.’

[...]

Twee gronden voor ontslag

De wet van 1991 is heel streng. Ontslag van personeelsafgevaardigden of kandidaten kan alleen om twee redenen: een dringende reden of economisch-technische redenen. De dringende reden moet eerst erkend worden door de arbeidsrechtbank of het arbeidshof. De economische of technische reden moet eerst voorgelegd worden aan het paritair comité. Vervolgens kan er, al naar gelang het geval, een voorafgaandelijke procedure volgen voor de arbeidsgerechten die zowel verplicht als facultatief kan zijn voor de werkgever. Worden de procedures gevolgd, dan krijgt de ontslagen beschermde werknemer geen beschermingsvergoeding. Wordt de procedure niet gevolgd en de beschermde werknemer niettemin ontslagen, dan moet de werkgever hoge vergoedingen betalen.

[...]

Procedureel huzarenstukje

Wouters en Bouciqué halen het in hun rechtspraakoverzicht en in het gesprek verschillende keren aan: het vereenvoudigen van de procedure is een belangrijk vraagstuk.

[...]

Corona-impact

De impact van corona op de beschermde werknemers van vorig jaar was niet heel groot, stelt Wouters nog vast, behalve op de duur van de bescherming, aangezien alles werd verlengd door het uitstel van de sociale verkiezingen. Ward Bouciqué wijst alvast op één voordeel van de pandemie: ‘Corona heeft vooral de digitalisering van de sociale verkiezingen versneld.

[...]

We pleiten voor een derde weg: als de werkgever met de nodige bewijzen aan de rechtbank kan aantonen dat iemand om andere redenen wordt ontslagen dan om zijn syndicaal engagement, kan hij de betrokken personeelsvertegenwoordiger mits betaling van een gewone opzeggingsvergoeding ontslaan

De auteurs

Legalworld
Legalworld Newsletter
Het recentste nieuws gratis in uw mailbox