Legal 29 oktober, 2026

Misbruik van vennootschapsgoederen

Het nieuwe Strafwetboek geeft misbruik van vennootschapsgoederen een nieuwe invulling. Welke gevolgen heeft dat voor bestuurders, vennoten en schuldeisers? Lees de volledige bijdrage van Jürgen Egger en Glenn Hansen op monKEY.

Wettelijke bepaling

Het misdrijf ‘misbruik van vennootschapsgoederen’ werd oorspronkelijk ingevoerd door artikel 142 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, dat in het Strafwetboek van 1867, (hierna: “Sw. 1867”) een nieuw artikel 492bis invoegde.

Hoewel opgenomen in de Faillissementswet was het toepassingsgebied van artikel 492bis Sw. 1867 geenszins beperkt tot de hypothese waarin een vennootschap failliet werd verklaard. Van ‘misbruik van vennootschapsgoederen’ kon evenzeer sprake zijn, indien de vennootschap nog bestond. (Ref.).

De Wet van 8 augustus 1997 trad in werking op 1 januari 1998. Artikel 492bis Sw. 1867 was alleen van toepassing op feiten die vanaf die datum werden gepleegd.

Artikel 492bis Sw. 1867 werd vervangen door artikel 476 van het nieuwe Strafwetboek.

Het nieuw Strafwetboek trad in werking op 1 september 2026. Aangezien het om een relatief recente strafbaarstelling gaat, blijft het misdrijf "misbruik van vennootschapsgoederen" genoemd en behoudt het in essentie dezelfde constitutieve bestanddelen, met dien verstande dat het toepassingsgebied wordt uitgebreid en de strafmaat wordt aangepast aan het nieuwe systeem van strafniveaus. Ook wordt uitdrukkelijk vermeld dat men de verworvenheden vanuit de rechtspraak en rechtsleer wenst te behouden. (Ref.).

De verantwoording voor het invoeren van het misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen

De Belgische regeling is geïnspireerd door het Franse 'abus de biens sociaux', maar werd bewust restrictiever geformuleerd.

Waarom werd het misdrijf ingevoerd?

Vermogen van de rechtspersoon

De achterliggende idee bij misbruik van vennootschapsgoederen is dat strafbaar dient gesteld te worden, de miskenning van het afgescheiden karakter van het vermogen van een rechtspersoon dat aan een ander in beheer wordt gegeven. De incriminatie heeft tot doel ertoe bij te dragen dat de bestuurders van een vennootschap hun vennootschap goed besturen, in het exclusief belang van de vennootschap (Ref.).

Doelstelling van de wetgever

In de Memorie van Toelichting van de Faillissementswet (Ref.) werd aangegeven dat bepaalde feiten die als laakbaar werden aangevoeld, niet konden worden vervolgd op grond van de bestaande delictsomschrijvingen. Volgens de wetgever was dit met name het geval wanneer bestuurders van toenmalige handelsvennootschappen (of andere) handelden tegen de belangen van de onderneming en bedrieglijk gebruikmaakten van haar goederen.

Inderdaad waren en zijn veel gedragingen die een ‘misbruik van vennootschapsgoederen’ uitmaken, moeilijk te beteugelen op grond van ‘misbruik van vertrouwen’ (art. 476 Sw. 2024), art. 491 Sw. 1867), ‘oplichting’ (art. 479 Sw. 2024, art. 496 Sw. 1867) of ‘eenvoudige/bedrieglijke bankbreuk’ (art. 573-578 Faill. W. Oud, – of zoals omschreven in artikel 491 Sw. 2024, art. 489ter 1° Sw. 1867), ‘verduistering van handels-actief’.

Naast misbruik van vertrouwen boden ook oplichting en faillissementsmisdrijven geen sluitend antwoord op gevallen waarin bestuurders vennootschapsgoederen bedrieglijk gebruikten tegen het belang van de vennootschap.

Misbruik van vertrouwen

‘Misbruik van vertrouwen’ wordt gepleegd door de persoon die ten nadele van een ander bepaalde goederen bedrieglijk verduistert of verspilt, die hem overhandigd zijn onder verplichting om ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken (art. 475 Sw. 2024; art. 491 Sw. 1867). Het essentieel kenmerk van ‘misbruik van vertrouwen’ is niet de schending van een contract, maar de aantasting van het eigendomsrecht (Ref.). Enkel de bedrieglijke verduistering of verspilling van goederen wordt strafbaar gesteld, niet het loutere misbruik van goederen. Wegens de limitatieve opsomming van artikel 491 Sw. 1867 werd aanvaard dat het misdrijf niet van toepassing was op het misbruik van onroerende of onlichamelijke goederen of het misbruik van krediet.

Deze beperking tot materiële roerende goederen leidde in de rechtspraak tot een verregaande interpretatiepoging. Om ‘misbruik van vennootschapsgoederen’ toch op grond van artikel 491 Sw. 1867 te kunnen bestraffen, oordeelde het Hof van Beroep van Brussel dat artikel 491 Sw. ook van toepassing was op de handelwijze die erin bestond “een bestanddeel van het actief aan zijn sociale bestemming te onttrekken door daaraan niet het gebruik en het doel te schenken die het normaliter zou moeten hebben” (Ref.). Deze verregaande interpretatie van artikel 491 Sw. 1867 werd evenwel in de rechtsleer bekritiseerd (Ref.).

Artikel 475 Sw. 2024 beoogt daarentegen een erkenning van de economische en technologische realiteit door het toepassingsgebied qua voorwerp uit te breiden naar alle roerende goederen met economische waarde (Ref.). Het nieuwe Strafwetboek behoudt voor het overige de definitie van misbruik van vertrouwen, weliswaar anders geformuleerd in algemene termen, in plaats van in opsommingsvorm (Ref.).

Deze verruiming van het toepassingsgebied van artikel 475 Sw. 2024 ontneemt de hierboven besproken rechtspraak van het Hof van Beroep van Brussel grotendeels haar bestaansreden: de behoefte om via een extensieve interpretatie van "roerend goed" ook vennootschapsgoederen onder misbruik van vertrouwen te vatten, vermindert naarmate het toepassingsgebied wettelijk wordt uitgebreid. Bovendien blijft, gezien de gelijkschakeling van de strafniveaus voor beide misdrijven, onzeker waarom men feiten die onder misbruik van vennootschapsgoederen vallen, nog zou vervolgen wegens misbruik van vertrouwen.

Verhouding tot misbruik van vertrouwen

Geen lex specialis

In zijn arresten d.d. 17 maart 1999 (Ref.) en 19 mei 1999 (Ref.) oordeelde het Hof van Cassatie dat artikel 491 Sw. 1867 (‘misbruik van vertrouwen’) en artikel 492bis Sw. 1867 (‘misbruik van vennootschapsgoederen’) onderscheiden gedragingen bestraften. De wetgever heeft de strafbaarstelling van ‘misbruik van vertrouwen’ niet willen vervangen door deze van ‘misbruik van vennootschapsgoederen’ ingeval degene die gelden had verduisterd, bestuurder was van een handelsvennootschap die door deze verduistering werd benadeeld (Ref.). Impliciet kan uit deze cassatiearresten worden afgeleid dat artikel 492bis Sw. 1867 niet als een lex specialis ten opzichte van artikel 491 Sw. 1867 kon worden beschouwd (Ref.). Hieruit volgt dat een eendaadse samenloop tussen beide misdrijven in principe mogelijk was (waarbij voor het bepalen van de strafmaat toepassing moest worden gemaakt van art. 65 Sw. 1867).

Ook konden bestuurders van een handelsvennootschap (nog steeds) uitsluitend op grond van artikel 491 Sw. 1867 worden veroordeeld.

Er bestaat geen aanwijzing dat deze kwalificatie onder het nieuwe Strafwetboek zou zijn gewijzigd. Zowel de argumentatie op grond van de cassatierechtspraak van 1999 als de hierboven beschreven redenering vanuit het ruimere materiële toepassingsgebied blijven onverkort overeind, aangezien artikel 476 Sw. 2024 dezelfde materiële kern van het misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen behoudt. Ook onder het nieuwe Strafwetboek kan artikel 476 Sw. 2024 bijgevolg niet als een lex specialis ten opzichte van artikel 475 Sw. 2024 worden beschouwd, zodat een eendaadse samenloop tussen beide misdrijven ook nog mogelijk blijft.

De introductie van het nieuwe Strafwetboek wijzigt evenwel, op twee onderscheiden vlakken, de context waarbinnen deze eendaadse samenloop zich voordoet. Ten eerste wijzigt de toepasselijke samenloopregeling zelf: artikel 65, eerste lid Sw. 1867 wordt vervangen door artikel 61 Sw. 2024, dat bepaalt dat bij eendaadse samenloop de hoofdstraf niet langer automatisch de zwaarste straf is, maar wordt opgelegd binnen het zwaarste strafniveau, terwijl de bijkomende straffen voortaan cumulatief worden opgelegd binnen de wettelijke grenzen, in plaats van te worden opgeslorpt door de zwaarste straf. Ten tweede, en daarmee samenhangend, stelt het nieuwe Strafwetboek de straffen van beide misdrijven voortaan gelijk op niveau 3 (art. 475 en 476 Sw. 2024). Deze twee wijzigingen versterken elkaar: waar men bij eendaadse samenloop voorheen belang had bij de vervolging wegens misbruik van vennootschapsgoederen vanwege de mogelijkheid zwaardere straffen op te leggen, valt dat belang nu weg, aangezien het zwaarste niveau voor beide misdrijven identiek is. Enkel voor de bijkomende straffen, die voortaan cumulatief kunnen worden opgelegd, brengt de nieuwe samenloopregeling nog een praktisch verschil met zich mee. 

Een mogelijk gevolg van deze gelijkschakeling is dat misbruik van vennootschapsgoederen een residuair misdrijf dreigt te worden, dat enkel toegepast wordt in gevallen waarin de feiten niet onder de bepaling van misbruik van vertrouwen vallen. (Ref.).

Conclusie

Een ‘misbruik van vennootschapsgoederen’ kon veelal niet worden beteugeld op grond van de artikelen 491 Sw. 1867, 496 Sw. 1867, 489bis 1867 en 489ter Sw. 1867 De invoering van een afzonderlijke delictsomschrijving was dan ook noodzakelijk en verantwoord.

Deze vaststelling blijft grotendeels overeind onder het nieuwe Strafwetboek. Wel wijzigt de gelijkschakeling van de strafmaten op niveau 3 de praktische verhouding tussen het misdrijf misbruik van vertrouwen en misbruik van vennootschapsgoederen (art. 475 en 476 Sw. 2024). Het vroegere belang om bij samenloop specifiek te vervolgen wegens misbruik van vennootschapsgoederen, vanwege zwaardere straffen, valt weg. Dit misdrijf dreigt daardoor te verworden tot een residuair misdrijf, enkel nog toegepast wanneer de feiten niet onder misbruik van vertrouwen vallen (Ref.).

De auteurs

Jürgen Egger en Glenn Hansen - Deloitte Legal


Legalworld
Legalworld Newsletter
Ontvang net als 7.500 andere experts maandelijks het meest recente nieuws en krachtige inzichten uit de juridische sector.
Back To Top