Hoe gaat de redactie van Tekst & Commentaar Strafvordering het nieuwe Wetboek van Strafvordering verwerken?
‘Dat is een uitdaging, omdat het echt een heel nieuw wetboek is. Aanvankelijk werd in de parlementaire stukken gesproken over de modernisering van het Wetboek van Strafvordering, maar nu gewoon van het nieuwe Wetboek van strafvordering. Het wordt ook een heel nieuw wetboek met een eigen indeling en een eigen nummering. Daarom gaan we het niet verwerken in het bestaande Commentaar, maar een nieuw Commentaar opbouwen. Dus we vragen op dit moment niet van auteurs om alles in het bestaande commentaar mee te nemen. Maar het staat auteurs vrij om te schrijven: dit is een belangrijke verandering en het is goed om dat al in je achterhoofd te houden. Iedereen moet vanuit zijn eigen expertise kijken of daar aanleiding voor is. Voor het nieuwe commentaar zullen wij deels beroep op de bestaande auteurs. Zij zullen een periode zowel het oude commentaar actueel moeten houden als het nieuwe commentaar moeten schrijven. Voor auteurs betekent dat wel een extra inspanning. Tegelijkertijd zoeken we ook nieuwe auteurs.’
Waarom is het geen modernisering, maar een nieuw Wetboek?
‘Het Wetboek was heel erg verouderd. Het Wetboek doet niet meer helemaal recht aan hoe het in de praktijk gaat. Maar het is niet zo dat het hele strafproces op de schop wordt genomen. Het is vooral een codificatie van jurisprudentie en bestaande werkwijzen in de praktijk. En het is op onderdelen overzichtelijker geworden. Het proces gaat in stappen. De twee aanvullingswetten waarin het Wetboek van Strafvordering is neergelegd, zijn onlangs aangenomen. Maar er zijn ook al twee aanvullingswetten, waarin belangrijke thema’s nog worden aangevuld. In die aanvullingswetten worden op het terrein van techniek ook allerlei voorzieningen getroffen. Als je de actuele ontwikkelingen niet meeneemt, is het Wetboek al verouderd voordat het in werking treedt. Doordat het nieuwe wetboek in fases tot stand komt is best ingewikkeld om een goed beeld van het geheel te krijgen, ook voor de Tweede en Eerste Kamer.’
Wat is volgens u de belangrijkste meerwaarde van het nieuwe Wetboek?
‘De belangrijkste meerwaarde is dat het een adequate weerspiegeling is van het recht zoals dat in de praktijk wordt toegepast en zoals de Hoge Raad het ook toepast. En er worden processen geregeld die nu nog niet geregeld zijn, zoals procesafspraken. Een procesafspraak is een afspraak tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie over het verloop van de procedure. Dan kan de verdediging bijvoorbeeld een aantal onderzoekswensen laten varen en in ruil daarvoor zal de Officier van Justitie een minder zware straf eisen. Dan kan aan de rechter voorgesteld worden een bepaalde strafkorting te geven, bijvoorbeeld van 30%. Deze afspraken kunnen de procedure bespoedigen. Die praktijk is al tot ontwikkeling gekomen, maar heeft geen wettelijke basis. Het krijgt nu een eigen invulling in het Wetboek, waarbij de wetgever ook bepaalde keuzes maakt, bijvoorbeeld ten aanzien van de maximale hoogte van de strafkorting.’
Wat wordt bedoeld met “de beweging naar voren”, die de wetgever noemt?
‘Dat is ook een belangrijk aspect. Het is de bedoeling om meer in het voorbereidend onderzoek te doen, zodat de zaak panklaar bij de rechter komt. Dat maakt het proces efficiënter. De rechter krijgt dan zelf ook meer mogelijkheden om regie te voeren. Nu krijgt de rechter pas in een laat stadium het dossier onder ogen. Daardoor leidt aanvullend onderzoek al snel tot aanhouding van een zaak. Straks komt er een zogenaamde procesinleiding. Daardoor ligt een zaak al in een eerder stadium op het bord van de rechter. Die heeft dan meer tijd om te bepalen of er nog iets moet gebeuren en ervoor te zorgen dat de zaak ook echt klaar is voor berechting als de inhoudelijke behandeling begint. Dat vraagt van partijen meer alertheid. Bijvoorbeeld van de verdediging. Die moet op tijd onderzoekswensen indienen. De beweging naar voren is iets wat de wetgever zelf naar voren brengt als grote verandering.’
Gaat er voor strafrechtprofessionals veel veranderen?
‘Werken met een nieuw Wetboek moet je niet onderschatten. Deels is het natuurlijk een codificatie van wat we al hebben, maar met een nieuwe indeling en nieuwe bepalingen. Dat vraagt van strafrechtprofessionals een forse inspanning. Maar tegelijkertijd denk ik niet dat wijze van procesvoeren door de invoering van het nieuwe Wetboek heel wezenlijk gaat veranderen.’
Denkt u dat alle ICT-aanpassingen gereed zijn voor de voorziene inwerkingtreding van 1 april 2029?
‘Er is een ruime termijn gerekend voor de implementatie van het nieuwe Wetboek. Alle processen moeten erop ingericht zijn en alle ICT moet daarop aansluiten. In de Eerste Kamer zijn er zorgen geuit of de beoogde termijn wel gehaald gaat worden. Ik heb ook een aankondiging gezien waarin als datum van inwerkingtreding staat: vooralsnog 1 april 2029. Dus men houdt reeds een slag om de arm. Op dit moment is het nog onduidelijk, maar we houden er rekening mee dat het later zal zijn.’