De afbakening tussen de vennootschapsbelasting en de rechtspersonenbelasting zorgt al jarenlang voor onzekerheid en discussie, vooral bij vzw’s en stichtingen die economische activiteiten combineren met een onbaatzuchtig doel. Recente dossiers in de actualiteit tonen aan hoe scherp dit spanningsveld vandaag speelt.
In zijn doctoraat – nu beschikbaar bij Wolters Kluwer – analyseert Tom Bonne dit klassieke fiscale vraagstuk vanuit het perspectief van wetgevingskwaliteit en ontwikkelt hij een alternatief dat meer rechtszekerheid, coherentie en eenvoud belooft. In dit interview vertelt hij wat hem tot dit onderzoek bracht, waarom het huidige systeem wringt en hoe zijn academisch werk vandaag een brug slaat naar concrete beleidsoplossingen.
Vennootschaps- of rechtspersonenbelasting: Tom Bonne over een oud fiscaal probleem en een nieuw perspectief
Tom Bonne
Functie: Adviseur Kabinet Financiën
Specialisatie: Fiscaliteit nonprofit-sector, lokale en regionale belastingen
Wolters Kluwer-publicaties: De afbakening tussen de vennootschaps- en rechtspersonenbelasting: een evaluatieve en normatieve analyse
Opleiding: master in de rechten Ugent (2015-2016), master in fiscaal recht UA (2016-2017), doctor in de rechten UHasselt (2024-2025)
Vrije tijd & interesses: lopen, fietsen en kunstmusea bezoeken
Wat trok je aan in dit onderwerp? Waarom wilde je precies de afbakening tussen de vennootschaps- en rechtspersonenbelasting onderzoeken?
Als student boeide mij al de vraag hoe je de vennootschaps- en rechtspersonenbelasting van elkaar afbakent. Ik herinner me nog levendig het hoorcollege waarin de professor uitlegde hoe complex het is om te bepalen of een vereniging of stichting onder de ene of de andere belasting valt, en hoe problematisch de vele uitzonderingen zijn. Toen ik een doctoraatsonderwerp moest kiezen, was er bovendien net een grondige hervorming van het verenigings- en stichtingsrecht. Die hervorming maakte het mogelijk dat verenigingen en stichtingen onbeperkt economisch actief kunnen zijn, waardoor de afbakening nog moeilijker werd. Dat zag ik als een interessante uitdaging om een alternatief te bedenken.
De recente zaken van rond de vzw’s De Roma en Dranouter, en een tijdje geleden Racing Genk tonen aan hoe actueel deze topic is, en hoe dit leeft, ook in de media. Waarom zorgt die afbakening nog altijd voor zoveel discussie?
Volgens mij komt dit doordat twee belangen moeilijk te verzoenen zijn. Enerzijds wil de wetgever de eigenheid en het maatschappelijk waardevolle karakter van bepaalde verenigingen en stichtingen erkennen. Ze leveren een belangrijke bijdrage en mogen niet zomaar gelijkgesteld worden met vennootschappen. Anderzijds is er de realiteit dat deze entiteiten ook economische activiteiten verrichten. Daarbij mag er geen concurrentieverstoring ontstaan door fiscale begunstiging. Het is precies die spanning tussen beide belangen die het probleem zo hardnekkig maakt.
Welke grote tekortkomingen heb je gevonden in de huidige wetgeving?
De huidige regeling kampt met verschillende knelpunten. Ten eerste ontbreekt het aan rechtszekerheid en duidelijkheid: de wet gebruikt vage begrippen waarvan de betekenis onduidelijk is, en de achterliggende doelstellingen van bepaalde bepalingen blijven vaak verborgen. Daarnaast zorgen de uitzonderingen binnen de vennootschapsbelasting voor problemen in het licht van staatssteun en het gelijkheidsbeginsel, omdat ze fiscale voordelen creëren die tot concurrentieverstoring kunnen leiden. Verder is ook het alles-of-niets-karakter van het systeem problematisch: een entiteit valt volledig onder de vennootschapsbelasting of volledig onder de rechtspersonenbelasting, terwijl dit geen recht doet aan de realiteit waarin verenigingen en stichtingen zowel ideële als economische activiteiten combineren.
Je vermeldt dat de huidige regeling leidt tot ongewenste effecten, zoals het belasten van subsidies, giften en legaten. Heb je daar een concreet voorbeeld van?
Neem bijvoorbeeld een VZW die een winkel uitbaat met fair trade producten zoals voeding en handwerk. Ze heeft personeel, voert marketing en behaalt structureel winst. Daarnaast ontvangt ze giften, legaten en subsidies voor educatieve projecten. Wanneer de fiscus beslist om deze VZW aan de vennootschapsbelasting te onderwerpen, worden in principe alle inkomsten als winst belast – ook giften, legaten en subsidies, hoewel die geen rechtstreeks verband houden met de economische activiteiten. Dit illustreert het alles-of-niets-karakter van het huidige systeem: ofwel wordt alles beschouwd als ondernemingswinst (vennootschapsbelasting), ofwel niets (rechtspersonenbelasting). De werkelijkheid is echter, zoals zo vaak, veel genuanceerder.
Je bent momenteel vanuit de fiscale administratie gedetacheerd naar het kabinet van de minister van Financiën. Geeft dat je de kans om je aanbevelingen ook echt in de praktijk te brengen?
Ja, absoluut. Deze detachering biedt mij een unieke kans om mijn academische inzichten en praktijkervaring samen te brengen. Tijdens mijn onderzoek heb ik tal van pistes geanalyseerd, hun voor- en nadelen afgewogen en gekeken naar de internationale context. Dat geeft mij een solide basis om niet alleen theoretische oplossingen aan te reiken, maar ook werkbare voorstellen die rekening houden met de realiteit van de uitvoering.
Mijn doel is om mee te schrijven aan wetgeving die een structurele oplossing biedt voor een probleem dat al decennialang aansleept. Het is een uitdaging, maar precies die brug tussen theorie en praktijk maakt dit werk zo boeiend.
Wat was voor jou het meest verrassende inzicht tijdens je doctoraat?
Tijdens mijn doctoraatstraject heb ik heel wat rechtsvergelijkend onderzoek gedaan, en wat mij het meest heeft verrast, is hoe gelijkaardig de uitdagingen zijn waarmee verschillende landen worstelen. Ondanks grote verschillen in fiscale systemen en juridische tradities, blijken de onderliggende vragen vaak dezelfde te zijn, met name de vraag hoe je een uitzonderingsregime creëert voor de nonprofit-sector en publieke sector, zonder hierbij de mededinging te verstoren.
Door die internationale vergelijking heb ik mijn eigen stelsel op een heel andere manier leren bekijken. Het gaf me niet alleen een bredere blik, maar ook veel inspiratie voor alternatieve oplossingen. Je ziet dat er geen ‘perfect’ systeem bestaat, maar dat elk land creatieve manieren zoekt om met dezelfde spanningen om te gaan. Dat inzicht heeft mijn denken sterk beïnvloed en mij geholpen om voorstellen te ontwikkelen die niet alleen theoretisch onderbouwd zijn, maar ook rekening houden met internationale best practices.