Woonbonus: Belastingaangifte en aanrekening
Tax & Accounting06 juli, 2021

Belastingaangifte en aanrekening van de woonbonus

1 januari 2020 betekende het einde van de woonbonus. Wie sindsdien een ‘eigen woning’ - de woning die u in principe zelf betrekt - wil aankopen in Vlaanderen en hiervoor een hypothecaire lening afsluit, kan niet langer op het fiscaal voordeel van de Vlaamse woonbonus rekenen. In ruil daarvoor stemde de regering in met een - verlaging van de registratierechten. Wie een woning aankoopt, betaalt vanaf 2020 geen 7, maar 6 procent taks. Wie zijn woning energiezuinig maakt, moet slechts 5 procent registratierechten betalen. Aan het tarief voor de aankoop van een bouwgrond of een investeringspand wordt niet geraakt (10%). In dit artikel bespreken we concreet: 

  • Drie Vlaamse woonbonusregimes 
  • Hoe kan de woonbonus correct worden aangegeven in de personenbelasting?
  • Welke bedragen mag men aangeven in de belastingaangifte?

Drie Vlaamse woonbonusregimes 

Als gevolg van de zesde staatshervorming werd Vlaanderen vanaf inkomstenjaar 2015 bevoegd voor alles wat te maken heeft met de ‘eigen woning’. Door de Vlaamse maatregelen kennen we nu drie Vlaamse woonbonusregimes die naast elkaar blijven bestaan. De datum waarop een lening werd aangegaan, bepaalt onder welk regime men valt.

1. De oude Vlaamse Woonbonus: leningen vanaf 2005 tot en met 2014

U valt onder het toepassingsgebied van de oude Vlaamse Woonbonus indien u in de periode tussen 2005 en 2014 een hypothecaire lening met een looptijd van minimum 10 jaar bent aangegaan voor het verwerven of behouden van uw enige en eigen woning. De woonbonus bedraagt maximaal € 3.120 per kredietnemer, samengesteld uit een basisbedrag van € 2.280 en een verhoging gedurende de eerste 10 jaar van € 760. Indien u drie kinderen had op het moment van aangaan van de lening hebt u nog recht op een bijkomende verhoging van € 80. De beide verhogingen kan u enkel genieten zolang de woning de enige woning blijft. U kan genieten van een belastingvoordeel aan het marginaal belastingtarief. Het tarief is afhankelijk van uw inkomen en bedraagt minimaal 30% en maximaal 50%. De belastingbesparing bedraagt dus maximaal € 3.120 x 50% = € 1.560.

2. De nieuwe Vlaamse Woonbonus: leningen vanaf begin 2015 tot en met eind 2015

Indien u in 2015 een hypothecaire lening hebt afgesloten voor het verwerven of behouden van uw enige en eigen woning zal u de voordelen genieten van de nieuwe Vlaamse Woonbonus. Deze wijkt af van de Oude Vlaamse Woonbonus op vlak van het maximaal in rekening te brengen bedrag en op vlak van het belastingvoordeel. Deze bonus bedraagt maximaal slechts € 2.360, samengesteld uit een basisbedrag van € 1.520 en verhoging van € 760 gedurende de eerste 10 jaar en een bijkomende verhoging van € 80 indien er drie kinderen zijn. Deze verhogingen blijven opnieuw slechts behouden zolang de woning de enige woning is. De nieuwe Vlaamse woonbonus levert niet langer een belastingvoordeel aan marginaal tarief op, maar wel tegen een vast tarief van 40%. Aldus bedraagt de besparing maximaal € 2.360 x 40% = € 944.

3. De geïntegreerde woonbonus: leningen vanaf 2016

De geïntegreerde woonbonus wordt toegekend voor dezelfde bedragen als de Nieuwe Vlaamse Woonbonus (1.520 + 760 + 80) en tegen dezelfde belastingvermindering (40%). Het toepassingsgebied is een stuk ruimer dan de vorige woonbonus: u zal van de geïntegreerde woonbonus ook kunnen genieten indien uw eigen woning niet uw enige woning is. Wel zal u enkel van het basisbedrag kunnen genieten indien uw eigen woning niet de enige woning is. Indien u voor uw eigen woning zowel voor 2016 als in 2016 of later een lening bent aangegaan, kan u de beide systemen niet combineren. U zal dan moeten kiezen welke lening u fiscaal wil inbrengen. Indien u kiest om de leningen van voor 2016 te gebruiken, zal de lening aangegaan in 2016 geen enkel voordeel kunnen opleveren.

Hoe kan de woonbonus correct worden aangegeven in de personenbelasting?

Als men de lening alleen heeft gesloten, stellen zich weinig problemen. De belastingplichtige vermeldt de door hem betaalde uitgaven (interesten, kapitaalaflossingen en levensverzekeringspremie), na de eventuele beperking tot het maximumbedrag, in rubriek I 2 a 1 of b 1 of II B 1 van het Vlaamse of Waalse vak IX of rubriek I 1 a 1 of b 1 of II B 1 van het Brusselse vak IX en, indien nodig, rubriek I 2 a 2 of b 2 of II B 2 van het Vlaamse of Waalse vak IX of rubriek I 1 a 2 of b 2 of II B 2 van het Brusselse vak IX.

Werd de lening door meerdere personen gesloten, bv. echtgenoten of samenwonenden, dan worden de kapitaalaflossingen en interesten in principe verdeeld in verhouding tot ieders eigendomsaandeel in de woning. Dit leidt doorgaans tot een verdeling bij helften. Met eigendomsaandeel wordt de juridische eigendom bedoeld, d.w.z. het aandeel in de volle eigendom of vruchtgebruik. 

De verdeling overeenkomstig het eigendomsaandeel is echter alleen relevant voor feitelijk samenwonenden en voor echtgenoten en wettelijk samenwonenden die nog alleen worden belast (bv. in het jaar van huwelijk) of waarvan slechts één partner recht heeft op de vermindering voor enige woning (bv. omdat de andere partner al eigenaar is van een andere woning). Vervolgens voegt iedere belastingplichtige bij zijn aandeel in de kapitaalaflossingen en interesten eventueel nog de door hem betaalde verzekeringspremie alvorens de totale uitgaven in de aangifte te beperken tot het maximumbedrag.

Aangifte van de woonbonus bij twee kredietnemers (gemeenschappelijk belast):

Als de totale leningsuitgaven (voor een lening gesloten vóór 2015) in 2020 slechts 2.000 EUR bedragen, vermeldt de partner met het hoogste belastbare inkomen 2.000 EUR in zijn aangiftekolom. De woonbonus levert bij hem wellicht de grootste belastingbesparing op omdat het marginaal belastingtarief op zijn inkomsten mogelijk hoger is dan het marginaal tarief op de inkomsten van zijn partner. De andere partner mag dan niets in zijn aangiftekolom opnemen. Stel dat de totale leningsuitgaven 7.000 EUR bedragen, dan geeft ieder het maximumbedrag van 3.040 EUR (of 3.120 EUR) aan.

Optimalisering via vrije verdeling

De aangifte (van leningen gesloten vóór 2015) kan worden geoptimaliseerd zolang de uitgaven, die in aanmerking komen voor de Vlaamse woonbonusvermindering, in 2020 niet meer bedragen dan respectievelijk 6.080 EUR, indien minder dan drie kinderen ten laste zijn op 1 januari van het jaar volgend op het leningsjaar, of 6.240 EUR, indien er drie of meer kinderen ten laste zijn. Echtgenoten met minder dan drie kinderen ten laste, beiden hebben recht op de gewestelijke woonbonus en hypothecaire lening gesloten in 2014:

  • leningsuitgaven 6.080 EUR
    → elke partner vermeldt 3.040 EUR in zijn/haar aangiftekolom (vrije verdeling speelt niet!)
  • leningsuitgaven tussen 3.040 EUR en 6.080 EUR
    → 3.040 EUR bij partner met hoogste inkomen, saldo bij partner met laagste inkomen
  • leningsuitgaven < 3.040 EUR
    → uitgaven bij partner met hoogste inkomen

Welke bedragen mag men aangeven in de belastingaangifte?

De toelichting bij de aangifte (Vlaams Gewest, Waals Gewest en Brussels Hoofdstedelijk Gewest) gaat uitgebreid in op de wijze waarop echtgenoten en samenwonenden de leningsuitgaven onder elkaar mogen verdelen in de aangifte. Die wijze waarop de uitgaven die recht geven op de woonbonusvermindering worden aangegeven, verschilt sinds aj. 2016 bovendien naargelang het Vlaamse gewest of de andere gewesten bevoegd zijn.

Is het Vlaamse gewest bevoegd, dan mag, bij samenloop van een woonbonuslening gesloten in 2015 én een woonbonuslening gesloten vóór die datum, zowel in rubriek I2a als in rubriek I2b van vak IX telkens het maximumbedrag van respectievelijk 2.360 EUR (rubriek I2a) en 3.120 EUR (rubriek I2b) worden vermeld, voor zover er voldoende leningsuitgaven zijn. De fiscus zal dan zelf het werkelijke bedrag dat recht geeft op de vermindering beperken overeenkomstig de wettelijk bepaalde 'opvulvolgorde' (voorrang aan de lening gesloten vóór 2015) van artikel 145/37 §3 lid 8 en 9 WIB92 Vlaams Gewest (zie hier).

Wanneer het Vlaamse fiscale voordeel voor de lening gesloten in 2015 (vermindering tegen 40%) groter is dan het voordeel voor de lening(en) gesloten vóór 2015 (vermindering tegen marginaal tarief, bv. 30% wegens laag belastbaar inkomen), kan de belastingplichtige zijn aangifte optimaliseren door bij voorrang de uitgaven voor de lening van 2015 aan te geven en slechts voor het saldo (= verschil tussen maximumbedrag woonbonus en uitgaven lening 2015) de vermindering te vragen voor de lening(en) gesloten vóór 2015. De belastingplichtige is niet (wettelijk) verplicht om het belastingvoordeel voor álle leningsuitgaven te vragen. Het staat de belastingplichtige vrij zijn fiscale uitgaven al dan niet aan te geven om zo zijn fiscaal voordeel te optimaliseren. 
Opgelet: de oude Vlaamse woonbonus voor leningen gesloten vóór 2016 (rubriek I2a en I2b) of andere Vlaamse belastingverminderingen voor leningen mogen echter niet worden gecombineerd met de nieuwe Vlaamse geïntegreerde woonbonus voor leningen gesloten vanaf 2016 (rubriek I1). Geeft u leningsuitgaven aan in rubriek I1 dan gaan alle andere Vlaamse belastingverminderingen (van de rubrieken I2 tot I5) fiscaal verloren!

Indien het Waalse of het Brusselse gewest bevoegd is, moet de belastingplichtige zelf, naar keuze, zijn maximum woonbonus van 3.130 EUR (Waals Gewest) of 3.390 EUR (Brussels Gewest) verdelen over de rubrieken van de woonbonus (rubriek I 2 a en b van het Waalse vak IX en rubriek I 1 a en b van het Brusselse vak IX).