Legal31 mei, 2022

Het Belgische koloniale beleid van raciale segregatie herbekeken

Maxim SMETS, “Belgisch koloniaal beleid van raciale segregatie. Een misdaad tegen de mensheid?”, NjW 2022, afl. 463, 434-441.

In juni 2020 daagden vijf vrouwen de Belgische staat voor de burgerlijke rechtbank voor geleden schade die het gevolg was van het Belgische koloniale segregatiebeleid waarvan metissenkinderen het slachtoffer waren. Als dochters van een Afrikaanse moeder en Europese vader werden deze vrouwen tussen 1948 en 1961 op zeer jonge leeftijd bij hun moeders weggehaald en in katholieke weeshuizen geplaatst. De fouten die de Belgische overheid worden aangeschreven omvatten enerzijds een schending van de fundamentele mensenrechten en anderzijds misdaden tegen de mensheid. Deze  bijdrage zal beide grondslagen juridisch kaderen en vervolgens een eigen analyse voorop stellen.

Lees deze bijdrage rechtstreeks in Jura →

Koloniale segregatie

Het raciale segregatiebeleid in de Belgische kolonies was gericht op een ‘purificatie’ van de koloniale maatschappij. Metissenkinderen vormden als ‘kinderen van de zonde’ namelijk een bedreiging voor de ideologie van witte suprematie waarop het hele koloniale bestel steunde. Om die reden moesten ze uit het publieke zicht verdwijnen en werden alle banden met hun biologische familie in de kolonies verbroken. Ze werden in speciaal daartoe opgerichte instellingen geplaatst en vervolgens overgebracht naar adoptiegezinnen in België. Voor alle schade die daaruit volgde, vorderden de vijf vrouwen een voorlopige schadevergoeding van 50 000 euro per persoon. De vordering steunde op de buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid (artikel 1382 en 1383 oud BW).

Misdaden tegen de mensheid

De eerste fout die de Belgische staat werd aangewreven, is een schending van de fundamentele mensenrechten. Aangezien de feiten minstens 60 jaren geleden plaatsvonden, was verjaring een struikelblok dat door de rechtbank beoordeeld moest worden. De toenmalige verjaringstermijn bedroeg immers vijf jaren, waardoor de vordering die geënt is op een schending van de grondrechten klaarblijkelijk verjaard is. 

De tweede fout die de Belgische staat verweten werd, zijn misdaden tegen de mensheid. Het verjaringsargument gaat hier niet op, daar art. 26 VT.Sv. bepaalt dat de burgerlijke vordering die steunt op een misdrijf niet kan verjaren voor de strafvordering. Er werd voorafgaand aan deze zaak geen strafvordering ingesteld. Misdaden tegen de mensheid zijn bovendien onverjaarbaar (artikel 21, eerste lid VT.Sv.), waardoor men logischerwijze kan stellen dat een aansprakelijkheidsvordering die daarop berust eveneens onverjaarbaar is. Om te verifiëren of er inderdaad sprake is van zo’n onverjaarbare aansprakelijkheidsvordering diende de rechtbank inhoudelijk na te gaan of de feiten internationaalrechtelijk kunnen kwalificeren als misdaden tegen de mensheid. 

Finaal was de rechtbank van mening dat de feiten niet als zodanig gekwalificeerd kunnen worden en dat de vordering die daarop steunt, bijgevolg ongegrond is. De historische evolutie van misdaden tegen de mensheid en de Genocideconventie wijzen nochtans duidelijk op een tegenovergestelde conclusie. Deze bijdrage bespreekt daarom gedetailleerd waarom het Belgische koloniale segregatiebeleid naar internationaal recht wél reeds een misdaad tegen mensheid uitmaakte in de periode 1948-1961. Het artikel gaat tevens in op de vermoedelijke reden waarom de rechtbank tot het foutieve besluit kwam dat het internationaal recht deze praktijken toeliet.

Auteur: Maxim Smets

Maxim Smets

 

Legalworld
Legalworld Newsletter
Het recentste nieuws gratis in uw mailbox
Back To Top