Ongeboren menselijk leven is een terugkerend thema in maatschappelijke, politieke en parlementaire debatten. Toch blijft de juridische status van ongeboren leven onduidelijk. In haar boek, gebaseerd op haar doctoraatsonderzoek, onderzoekt Charlotte Termonia De Mulder hoe het Belgische recht hiermee omgaat. De auteur toont de fragmentatie in de huidige benadering en stelt een vernieuwend alternatief voor: de ‘vermenselijking van ongeboren leven’. In dit interview licht Charlotte Termonia De Mulder haar belangrijkste inzichten en de implicaties van haar onderzoek toe.
Charlotte Termonia De Mulder over haar boek ‘Vermenselijking van ongeboren leven’
Charlotte Termonia De Mulder
- Functie: senior onderzoeker aan de Faculteit Rechten, Universiteit Antwerpen
- Specialisatie: personen- en familierecht
- Auteur Wolters Kluwer publicaties: Vermenselijking van ongeboren leven. Artikelsgewijze commentaar personen- en familierecht, Focus op personen- en familierecht, Tijdschrift voor Familierecht, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht
Kan je kort iets vertellen over het onderwerp van jouw boek – ‘Vermenselijking van ongeboren leven’? Wat mag de lezer verwachten?
Dit boek bevat een analyse en evaluatie van het huidige Belgische recht met betrekking tot ongeboren menselijk leven en van de verschillende theorieën die in de literatuur bestaan over de status van ongeboren menselijk leven. Ik kom tot de conclusie dat de bestaande juridische benaderingen tekortschieten en stel daarom een alternatieve benadering voor: de vermenselijking van ongeboren leven.
In het boek komen verschillende thema’s aan bod die verband houden met de bescherming van ongeboren leven, met name zwangerschapsafbreking, de totstandkoming en bestemming van embryo’s in vitro (in het kader van medisch begeleide voortplanting en onderzoek op embryo’s), preventief en repressief ingrijpen bij prenatale schade (bv. via prenatale jeugdhulp of aansprakelijkheid wegens prenatale schade) en doodgeboorte. Binnen die thema’s vindt een beperkte en functionele rechtsvergelijking plaats met Frankrijk, Nederland, Duitsland en de Verenigde Staten.
Wat bracht jou ertoe dit thema te kiezen als onderwerp voor jouw proefschrift?
Al tijdens mijn eerste bachelorjaar rechten kreeg ik een grote interesse in het personen- en familierecht, waaronder ook de grenzen van het persoonsbegrip vallen. Binnen dit thema bleek de status en bescherming van het ongeboren leven bijzonder actueel. Onderzoek naar dit thema gaf mij de kans om mij te verdiepen in boeiende theoretische, conceptuele vraagstukken zoals vanaf wanneer iemand als juridisch persoon kan worden beschouwd. Tegelijkertijd kon ik met dit onderzoek ook bijdragen aan het maatschappelijk debat rond o.m. de voorstellen rond prenatale jeugdhulp en de uitbreiding van de abortustermijn. De status en bescherming van ongeboren leven was dan ook een uitermate geschikt onderwerp voor fundamenteel onderzoek met een grote maatschappelijke impact.
Je analyseert vier concrete toepassingen van de bescherming van ongeboren leven, met name zwangerschapsafbreking, totstandkoming en bestemming van embryo’s in vitro, preventief en repressief ingrijpen bij prenatale schade en doodgeboorte. Welke inzichten leverde die vergelijkende aanpak op?
De bescherming van ongeboren menselijk leven in het Belgische recht is zeer gefragmenteerd geregeld, verspreid over uiteenlopende wetgeving met grote verschillen in bescherming naargelang de context. Zo biedt de wetgeving rond zwangerschapsafbreking bescherming aan het ongeboren leven tegen vernietiging, maar komt deze bescherming niet toe aan embryo’s in vitro die zich buiten het lichaam van een mens bevinden. Uit de analyse van de vier toepassingen kan dus geen uniforme status van ongeboren leven worden afgeleid. Daarnaast volgt uit deze analyse ook dat de klassieke opdeling tussen personen en voorwerpen die in het Belgische recht wordt aangehouden, niet volstaat als normatieve leidraad. Enerzijds komt in ieder van de toepassingen een bijzondere bescherming toe aan ongeboren leven die afwijkt van de bescherming die toekomt aan (andere) voorwerpen. Anderzijds is de bescherming die aan ongeboren leven toekomt ook niet gelijk aan deze die toekomt aan geboren mensen, die in ieder geval personen zijn.
Je introduceert het concept van ‘vermenselijking van ongeboren leven’. Wat houdt deze benadering precies in?
De benadering van ‘vermenselijking van ongeboren leven’ biedt een alternatief voor het ‘maternaal-foetaal’-conflictmodel dat de zwangere persoon tegenover het ongeboren leven plaatst en is opgebouwd uit drie elementen. De vermenselijking van ongeboren leven verwijst ten eerste naar de kwalificatie van ongeboren leven als stadium in de ontwikkeling van een mens. Ongeboren leven is beschermwaardig op grond van de objectieve, collectieve dimensie van menselijke waardigheid omwille van de biologische relatie die bestaat met de nadien geboren mens en de mensheid in het algemeen. Iedere mens heeft het stadium van ongeboren leven doorgemaakt (het is onderdeel van het menselijk leven of de menselijke soort in het algemeen) en het ongeboren leven kan zich ontwikkelen tot een bepaalde mens (het is een stadium in het leven van een geïndividualiseerde mens). Vermenselijking verwijst ten tweede naar de (groeiende) symbolische waarde als bijna-mens. In het licht van de (toenemende) associatie met (in de zin van feitelijke gelijkenis met en anticipatie tot) de geboren mens, en dan in het bijzonder het geboren kind, komt aan ongeboren leven een zekere waarde toe als symbool van de mens. Deze waarde neemt gewoonlijk toe naarmate het ongeboren leven zich verder ontwikkelt en ‘menselijker’ wordt. De vermenselijking van ongeboren leven heeft ten derde betrekking op de inbedding van ongeboren leven in menselijke relaties. Het ongeboren leven is op unieke wijze verbonden met het lichaam van een geboren mens, nl. de zwangere persoon. Deze unieke verbondenheid moet door het recht worden erkend en beschermd. Ongeboren leven maakt daarnaast deel uit van een bredere gezinscontext, waarbij tussen het ongeboren leven en de ‘ouders’ een beschermwaardige relatie kan ontstaan, die kan worden beschermd als familieleven.
Welke impact hoop je dat jouw boek zal hebben op het juridische en maatschappelijke debat?
Ik hoop dat de benadering van vermenselijking die ik in mijn boek voorstel, conceptuele helderheid creëert over de beschermwaardigheid van ongeboren leven in het algemeen belang en in het belang van de ‘ouders’. Dit kan volgens mij een fundamentele verandering teweegbrengen in hoe het publiek, politiek en parlementair debat over de bescherming van ongeboren leven moet worden gevoerd, namelijk weg van het ‘maternaal-foetaal’-conflictmodel. Daarnaast hoop ik dat mijn boek bijdraagt aan de juridische erkenning van de unieke fysieke verbondenheid met de zwangere persoon die een duidelijke grens moet vormen bij overheidsingrijpen tijdens de zwangerschap. De bescherming die aan het ongeboren leven toekomt, mag er immers nooit toe leiden dat abstractie wordt gemaakt van de zwangerschap. Zo mogen we juridische concepten die van toepassing zijn op geboren kinderen, bijvoorbeeld in het kader van jeugdhulp, niet zonder meer toepassen ter bescherming van het ongeboren leven. Er moet immers rekening worden gehouden met de unieke situatie van zwangerschap, waarbij iedere maatregel ter bescherming van het ongeboren leven steeds raakt aan het recht op fysieke en psychische integriteit van de zwangere persoon. Fysieke dwang ten aanzien van de wilsbekwame zwangere persoon om schade aan het ongeboren leven te voorkomen is hierbij volgens mij nooit mogelijk. Hierdoor wordt immers een dermate grote opoffering vereist van de fysieke integriteit die niet vergelijkbaar is met deze die aan andere geboren mensen wordt opgelegd. De bescherming die toekomt aan ongeboren leven mag met andere woorden niet leiden tot de ‘ontmenselijking’ van de zwangere persoon.
Als je beleidsmakers één advies zou mogen meegeven, wat zou dat zijn?
Stap af van de veronderstelling dat we het ongeboren leven moeten beschermen tegen de zwangere persoon. Het ongeboren leven is zodanig afhankelijk van het lichaam van de zwangere persoon dat het onmogelijk is om de bescherming van het ongeboren leven los te zien van de bescherming van de zwangere persoon. Bescherming die gepaard gaat met dwang ten aanzien van de zwangere persoon is hierdoor niet effectief ter bescherming van het ongeboren leven. Denk alleen al aan de stress die een eventuele dwangbehandeling bij de zwangere persoon teweeg zal brengen en die evengoed negatieve gevolgen heeft voor het ongeboren leven. Daarnaast kan (de dreiging van) dwang drempelverhogend werken en de zwangere persoon ertoe brengen iedere vorm van hulpverlening te weigeren, met nog meer schade tot gevolg, zowel voor de zwangere persoon als het ongeboren leven. Beter is daarom om preventief in te zetten op de bescherming van ongeboren leven, niet via dwang, maar via een betere omkadering van de zwangerschap in o.m. het arbeids- en socialezekerheidsrecht en in de medische en hulpverleningspraktijk. Dit zijn uiteraard geen ‘quick wins’, maar maatregelen die op een veel fundamentelere manier kunnen bijdragen aan een sterkere bescherming van zowel het ongeboren menselijk leven, als de zwangere persoon.
Wat waren de grootste uitdagingen tijdens het schrijven van jouw proefschrift? Hoe ben je daarmee omgegaan?
De combinatie van doctoraatsonderzoek en de zorg voor twee jonge kinderen was niet altijd evident. Zeker naar het einde toe ging dit geregeld gepaard met lange dagen en weekendwerk. Veel dank daarom aan mijn echtgenoot, mijn ouders, schoonouders, grootouders, broers en schoonzussen om een deel van de zorg mee op te nemen en het zo mogelijk te maken dit proefschrift tot een goed einde te brengen.