Wolters Kluwer werkt samen met veel topprofessionals. Professionals die toonaangevende publicaties op hun naam hebben staan. In dit interview deelt Matthias Vandamme de deontologische aandachtspunten van generatieve AI in de advocatuur.
De deontologische aandachtspunten van generatieve AI in de advocatuur
Matthias Vandamme
Matthias Vandamme is advocaat aan de balie van Antwerpen, gespecialiseerd in gegevensbeschermings-, technologie- en intellectueel eigendomsrecht. Hij schrijft en spreekt regelmatig over technologiegebruik door advocaten en is assistent en onderzoeker aan UGent rond het gebruik van artificiële intelligentie in de juridische context.
Deontologie als kompas bij gebruik artificiële intelligentie door advocaten
In een benchmarkrapport van 2026 rapporteerde Wolters Kluwer dat 55,2% van de respondenten gebruik maakt van AI-tools in hun advocatenkantoor. Maar liefst 89,2 % van de respondenten geeft aan generieke (niet-juridische) generatieve AI-tools te gebruiken, zoals ChatGPT. Kan dit gebruik verzoend worden met de deontologische principes die de hoeksteen zijn van het beroep van de advocaat?
Essentiële plichten van de advocaat
Volgens artikel 455 van het Gerechtelijk Wetboek heeft de raad van de Orde
“[…] de opdracht om de eer van de Orde van advocaten op te houden en de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag liggen en een behoorlijke beroepsuitoefening moeten waarborgen, te handhaven.”
Deze open normen worden verder uitgewerkt in de Codex Deontologie, richtlijnen en tuchtbeslissingen. Artikel 1 van de Codex Deontologie beschrijft de essentiële plichten van de advocaat als volgt:
“De advocaat oefent zijn beroep op deskundige wijze uit met eerbiediging van het beroepsgeheim, van de essentiële plichten van onafhankelijkheid en partijdigheid, en met het vermijden van belangenconflicten. Hij eerbiedigt de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid, die aan het beroep ten grondslag liggen.”
De Orde van Vlaamse Balies (OVB) en de Ordre des Barreaux Francophones et Germanophone (OBFG) hebben in januari 2025 de richtlijnen voor advocaten voor het gebruik van artificiële intelligentie uitgebracht. Deze richtlijnen bevatten geen nieuwe deontologische verplichtingen, maar zijn er een concrete toepassing van. In deze bijdrage worden drie essentiële plichten besproken in het kader van de advocaat die artificiële intelligentie (AI) gebruikt: waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid.
Deontologische inbreuken betreffen vaak een tekortkoming op verschillende van deze waarden tegelijk.
Waardigheid: hallucinaties schaden de naam en faam
De plicht tot waardigheid houdt in dat de advocaat geen nadeel toebrengt aan de goede naam en faam van het beroep en het vertrouwen dat het moet wekken bij het publiek. In de context van AI kan in dat kader gedacht worden aan het gebruik van gehallucineerde referenties.
In België zijn er inmiddels twee gekende voorbeelden waar een advocaat vermoedelijk gebruik had gemaakt van AI in een gerechtelijke procedure en daardoor onbestaande of foutief geciteerde referenties had aangehaald. Het fenomeen doet zich wereldwijd voor, weze het meer bij niet-advocaten dan bij advocaten. Daarbij dient ook meteen de nuance te worden gemaakt dat het slechts om een fractie van het totaal aantal procedures gaat.
Desalniettemin is elk geval er één te veel, zeker wanneer er advocaten bij betrokken zijn. Van een advocaat wordt deskundigheid verwacht. Dit betreft deskundigheid over de materie, maar evengoed een zekere competentie bij het gebruik van technologieën zoals AI.
De OVB en de OBFG winden er geen doekjes om in hun richtlijnen: de advocaat dient het resultaat van de AI-tool te controleren, met inbegrip van de vermelde bronnen. Hoewel in de richtlijnen enkel wordt verwezen naar de controle op ‘het bestaan’ van de bronnen, dient de advocaat evengoed de relevantie van de aangehaalde referentie te refereren. Een bron kan bestaan, maar totaal irrelevant zijn voor een zaak.
Een advocaat die valse of irrelevante bronnen aanwendt, al dan niet door AI-gegenereerd, doet de goede naam en faam van de advocatuur geen goed aan en kan het vertrouwen van de burger in de advocatuur schaden. De advocaat die zich laat leiden door het principe van waardigheid, zal zich niet snel laten vangen door een hallucinatie.
Rechtschapenheid: een transparantieverplichting?
De plicht tot rechtschapenheid houdt in dat de advocaat te allen tijde eerlijk en oprecht is. Een advocaat handelt bijvoorbeeld niet rechtschapen wanneer deze een arrest zou vervalsen om dit te gebruiken tijdens een procedure.
Het is maar de vraag of het principe van rechtschapenheid inhoudt dat de cliënt op de hoogte moet zijn van het gebruik van AI door de advocaat. De OVB en de OBFG stellen in de richtlijnen dat de advocaat geen verplichting heeft om aan de cliënt mee te delen dat er gebruik werd gemaakt van artificiële intelligentie, net zomin dat bij andere IT-toepassingen verplicht is. Deze transparantie is echter wel verplicht onder de richtlijnen wanneer persoonsgegevens verwerkt worden of wanneer het om een chatbot gaat.
Er is wereldwijd nog geen eensgezindheid tussen de nationale en regionale balieorganisaties over de eventuele vereiste transparantie bij het gebruik van AI in de advocatuur. Verder debat hierover is echter wel op zijn plaats en zou eveneens het gebruik van andere technologieën moeten omvatten. Bij dit debat lijkt het gepast om na te gaan in welke mate het vertrouwen in de advocaat wordt beïnvloed door het gebruik van AI en dit bekeken vanuit het oogpunt van diverse actoren in het juridisch speelveld zoals cliënten, confraters en magistraten. Zou het vertrouwen van een cliënt die te horen krijgt dat al diens gegevens werden ingevoerd in een AI-tool mogelijk geschaad zijn?
Kiesheid: impact op de erelonen
De OVB omschrijft kiesheid als de plicht van advocaten om zorgvuldig en verstandig te handelen. In tuchtzaken worden problemen in verband met de erelonen vaak verbonden aan een schending van de kiesheidsverplichting.
Bij het gebruik van AI kan hierbij de volgende vraag gesteld worden: indien het werk van de advocaat efficiënter wordt gedaan met behulp van AI, moet de factuur van de cliënt dan ook verminderen?
De richtlijnen van de OVB en de OBFG geven duidelijk aan dat het gebruik van AI niet verboden is, noch verplicht. Het gebruik van de technologie behoort namelijk tot de eigen vrijheid en verantwoordelijkheid van de advocaat.
De richtlijnen geven echter geen aanbevelingen omtrent de facturatie van eventuele tijd die bespaard werd door het gebruik van AI. De advocaat is in principe vrij om bij de begroting van het ereloon, maar moet dit wel met de nodige bescheidenheid en billijke gematigdheid doen. Een en ander zal in deze context afhangen van de gemaakte afspraken met de cliënt. Een advocaat die louter een uurtarief hanteert, kan in principe de uren niet aanrekenen die gewonnen werden door het gebruik van AI. Er kunnen echter wel afspraken worden gemaakt over het doorrekenen van de kosten van een AI-tool.
Deontologie als Kompas
De advocaat die gebruik maakt van AI wordt geconfronteerd met verschillende uitdagingen. De deontologische principes moeten daarin niet als obstakels gezien worden, maar net als een kompas. Door deze normen toe te passen bij het gebruik van AI kan de advocaat genieten van de voordelen, zonder diens cliënt daarbij te benadelen.