moederschapsrust
Legal16 juni, 2021

Moederschapsrust – berekening en uitkering van het zwangerschapsverlof

Uw medewerkster is zwanger. Heeft ze recht op zwangerschapsverlof ?  Wat als zij vroeger moet thuisblijven wegens ziekte? Lees alles over de wettelijke basis rond moederschapsrust in SocialEye.

 

Moederschapsverlof

Zwangere werkneemsters hebben recht op vijftien weken moederschapsverlof.

Dat moederschapsverlof van vijftien weken bestaat uit:
- zes weken prenataal verlof dat vóór de vermoedelijke bevallingsdatum wordt genomen;
- negen weken postnataal verlof dat begint op de dag van de bevalling.

De vermoedelijke bevallingsdatum wordt vermeld op het medisch getuigschrift dat de werkneemster aan haar werkgever moet overhandigen.

Bij de geboorte van een meerling wordt het moederschapsverlof verlengd tot zeventien of zelfs negentien weken.


Prenataal verlof

Het bijzondere aan het prenataal verlof van zes weken is dat het bestaat uit:
- één verplichte week: de werkneemster mag geen arbeid meer verrichten in de zeven dagen net vóór de vermoedelijke bevallingsdatum;
- vijf facultatieve weken: bovenop de week net vóór de vermoedelijke bevallingsdatum, beschikt de werkneemster over vijf andere weken waar ze zelf over mag beslissen. Dat betekent dat ze mag kiezen om die weken niet op te nemen of om ze volledig of gedeeltelijk voor of na de bevalling op te nemen.

Wat die vijf weken betreft, kan de werkneemster het volgende doen:
- ofwel ziet ze er volledig van af: haar moederschapsverlof telt dan tien weken (één verplichte week prenataal verlof + negen verplichte weken postnataal verlof);
- ofwel ziet ze er gedeeltelijk van af (bijvoorbeeld twee weken): in dat geval telt haar moederschapsverlof dertien weken (één verplichte week prenataal verlof + drie facultatieve weken prenataal verlof + negen verplichte weken postnataal verlof);
- ofwel neemt ze ze volledig: haar moederschapsverlof telt dan vijftien weken (één verplichte week prenataal verlof + vijf facultatieve weken prenataal verlof + negen verplichte weken postnataal verlof);
- ofwel stelt ze ze volledig uit: haar moederschapsverlof telt dan vijftien weken (één verplichte week prenataal verlof + negen verplichte weken postnataal verlof + vijf weken prenataal verlof dat werd uitgesteld tot na het postnataal verlof);
- ofwel stelt ze ze gedeeltelijk uit (bijvoorbeeld twee weken): haar moederschapsverlof telt dan vijftien weken (één verplichte week prenataal verlof + twee facultatieve weken prenataal verlof + negen verplichte weken postnataal verlof + twee weken prenataal verlof uitgesteld tot na het postnataal verlof).


Uitstel van het prenataal verlof

Het uitstel van het prenataal verlof is echter onderworpen aan een voorwaarde: de werkneemster moet verder hebben gewerkt vanaf de zesde week vóór de werkelijke bevallingsdatum.
Het uitstel is immers gekoppeld aan de voorwaarde van voortzetting van de arbeidsrelatie tijdens het facultatief prenataal verlof van vijf weken.

De wetgever heeft een aantal inactiviteitsdagen echter gelijkgesteld met effectieve arbeid. Sinds 1 maart 2020 is evenwel een belangrijke wijziging van kracht waardoor het aantal gelijkstellingen is toegenomen, met name wanneer de werkneemster ziek is tijdens haar facultatief prenataal verlof.

De volgende afwezigheidsperiodes worden gelijkgesteld met dagen van arbeid en kunnen dus worden uitgesteld:
- de periodes van wettelijke vakantie, de vakantieperiodes die zijn toegekend krachtens een algemeen verbindend verklaarde cao, alsook de bijkomende vakantieperiodes;
- de periode waarin de werkneemster zetelde als sociaal rechter;
- de dagen omstandigheidsverlof (bijvoorbeeld bij overlijden, huwelijk enz.) die wettelijk, reglementair of bij cao zijn geregeld;
- de dagen waarop de werkneemster afwezig was wegens dwingende redenen die wettelijk, reglementair of bij cao zijn geregeld;
- de dagen waarop het dagloon gewaarborgd moet worden voor de werknemer die wegens een oorzaak die onafhankelijk is van zijn wil en die zich voordoet op zijn weg naar het werk niet of met vertraging op het werk aankomt;
- de periodes van tijdelijke werkloosheid (om economische redenen, als gevolg van een technische stoornis of slecht weer);
- de sluiting van een onderneming die voortvloeit uit maatregelen genomen om het leefmilieu te beschermen;
- de feestdagen, de vervangingsdagen en de inhaalrustdagen voor feestdagen toegekend volgens de wet betreffende de feestdagen;
- voor de werkneemsters die afwisselend volgens de vijfdagen- en zesdagenweekregeling werken: de dag van de week van het vijfdagenstelsel waarop men normaal gewerkt zou hebben als het een zesdagenweek was geweest;
- de inhaalrustdagen voor bijkomende arbeidsprestaties of zondagswerk, alsook de inhaalrust die wordt toegekend als gevolg van arbeidstijdverkorting;
- de periodes waarin de werkneemster een of meerdere activiteiten heeft uitgevoerd tijdens een periode van moederschapsbescherming (profylactisch verlof) of, met de goedkeuring van de adviserend arts een of meerdere activiteiten heeft hervat tijdens haar arbeidsongeschiktheid.

Sinds 1 maart 2020 worden ook de volgende afwezigheidsperiodes gelijkgesteld:
- de periodes van tijdelijke werkloosheid om economische redenen voor bedienden;
- de periodes van tijdelijke werkloosheid als gevolg van overmacht;
- de periodes van volledige werkverwijdering van de zwangere vrouw (profylactisch verlof).

In een e-mail van 12 maart 2021 aan Partena Professional oordeelt het RIZIV dat ook de afwezigheidsdagen als gevolg van arbeidsongeschiktheid door een arbeidsongeval dat voldoet aan de erkenningsvoorwaarden in artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 kunnen worden gelijkgesteld.

Wanneer deze afwezigheidsdagen zich voordoen tijdens de prenatale periode, korten zij het recht op moederschapsverlof niet meer in. De werkneemsters hebben voortaan recht op vijftien weken moederschapsverlof, zelfs als zij kort voor de bevalling ziek worden of tijdelijk werkloos worden.


Voorbeeld
Een werkneemster moet normaal gezien bevallen op 20 juli. Ze wordt echter ziek vanaf 24 juni en is arbeidsongeschikt tot de dag voor haar bevalling op 20 juli (hypothese waarbij de vermoedelijke bevallingsdatum ook de werkelijke bevallingsdatum is).
In dit geval kan de werkneemster de vijf weken prenataal verlof die zij door haar ziekte niet heeft genomen uitstellen tot na het postnataal verlof.
Vóór 1 maart 2020 zou dat uitstel niet mogelijk zijn geweest omdat ziekte niet werd gelijkgesteld met arbeid.


Vergoeding van de afwezigheid bij arbeidsongeschiktheid

Zolang de werkneemster geen aanvraag voor prenataal verlof heeft ingediend, moet elke periode van ongeschiktheid die zich voordoet binnen de vijf weken vóór het verplichte prenataal verlof aanleiding geven tot de betaling van het gewaarborgd loon ten laste van de werkgever.

In ieder geval ontvangt de werkneemster vanaf de zevende dag vóór de vermoedelijke bevallingsdatum (= één verplichte week prenataal verlof) moederschapsuitkeringen van het ziekenfonds.
Uitzondering: wanneer het kind te vroeg wordt geboren, behoudt de werkneemster ook het gewaarborgd loon ten laste van haar werkgever voor de dagen arbeidsongeschiktheid tijdens de week vóór de werkelijke bevallingsdatum. Het is pas wanneer deze dagen van arbeidsongeschiktheid ten laste zijn van het ziekenfonds (na de periode van gewaarborgd loon ten laste van de werkgever) dat de werkneemster moederschapsuitkeringen kan ontvangen. Deze dagen van arbeidsongeschiktheid worden in dat geval omgezet in moederschapsverlof

Voorbeeld waarbij de bevalling plaatsvindt tijdens de periode van gewaarborgd loon


Een werkneemster moet normaal gezien bevallen op 20 juli. Ze wordt echter ziek vanaf 24 juni en is arbeidsongeschikt tot de dag voor haar bevalling die plaatsvindt op 10 juli (vroegtijdige bevalling).
In deze situatie heeft de werkneemster recht op een normaal gewaarborgd loon wegens arbeidsongeschiktheid en dit voor de periode van 24 juni tot en met 9 juli. De werkneemster behoudt dus het gewaarborgd loon voor de periode van zeven kalenderdagen vóór de werkelijke bevallingsdatum (geen omzetting). Vanaf 10 juli ontvangt zij moederschapsuitkeringen omdat op die dag de periode van postnataal verlof begint. De werkneemster kan bovendien enkel de vijf weken prenataal verlof die zij niet heeft opgenomen uitstellen tot na het postnataal verlof, aangezien de week vóór de werkelijke bevallingsdatum nooit kan worden uitgesteld.

Voorbeeld waarbij de bevalling plaatsvindt na de periode van gewaarborgd loon


Een werkneemster moet normaal gezien bevallen op 20 juli. Ze wordt echter ziek vanaf 24 mei en is arbeidsongeschikt tot de dag voor haar bevalling die plaatsvindt op 10 juli (vroegtijdige bevalling).
In deze situatie heeft de werkneemster recht op een normaal gewaarborgd loon wegens arbeidsongeschiktheid en dit voor de periode van 24 mei tot en met 22 juni. Vanaf 23 juni ontvangt zij een uitkering voor arbeidsongeschiktheid van haar ziekenfonds. De periode van 3 tot 9 juli (= zeven kalenderdagen vóór de werkelijke bevallingsdatum) kan evenwel worden omgezet in moederschapsverlof.  Zij ontvangt dus moederschapsuitkeringen vanaf 3 juli. De werkneemster kan bovendien enkel de vijf weken prenataal verlof die zij niet heeft opgenomen uitstellen tot na het postnataal verlof (dat begint op 10 juli), aangezien de week vóór de werkelijke bevallingsdatum nooit kan worden uitgesteld.

Nog andere vragen over het moederschapsverlof? Raadpleeg de thematische fiche van SocialEye met verwijzingen naar de relevante documenten.
Legalworld
Legalworld Newsletter
Het recentste nieuws gratis in uw mailbox