Legal05 februari, 2026

Leontine Bruijnen over haar boek ‘Recognition of kafala and child marriage in family law and migration law’

Wolters Kluwer werkt samen met veel topprofessionals. Professionals die toonaangevende publicaties op hun naam hebben staan en dit weten te combineren met andere (maatschappelijke) functie(s) en hun privéleven. Wat zijn hun drijfveren en hoe weten zij deze rollen te combineren? In dit interview vertelt Leontine Bruijnen over haar doctoraatsonderzoek en haar bijzondere interesse in internationaal privaatrecht en migratierecht.

Leontine Bruijnen

Functie: Universitair docent aan de Universiteit Maastricht en senior onderzoeker aan de Universiteit Antwerpen

Specialisatie: internationaal privaatrecht

Auteur Wolters Kluwer-publicaties: Recognition of kafala and child marriage in family law and migration law; Tijdschrift voor Familierecht

Favoriete boek/publicatie: Mijn favoriete boek van de afgelopen jaren is Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer. Ik las dit boek tijdens het schrijven van mijn doctoraat dat ook over migratie gaat. Grand Hotel Europa laat ons nadenken over hoe wij met de gevolgen van migratie omgaan. Ik hoop dat mijn doctoraat de lezer ook stimuleert te reflecteren over bepaalde gevolgen van migratie, namelijk hoe West-Europa omgaat met migranten die een kindhuwelijk zijn aangegaan en met het voor ons onbekende kafala-systeem.

Kan je kort iets vertellen over het onderwerp van jouw boek – erkenning van kafala en kindhuwelijk? Wat mag de lezer verwachten?

Het boek legt uit wat de voor ons “onbekende” rechtsfiguren kafala en kindhuwelijk zijn en hoe er mee kan worden omgegaan in België en Duitsland. Het internationaal privaatrechtelijk, familierechtelijk en migratierechtelijk kader worden uiteengezet. Daarnaast wordt onderzocht welke invloed het gebruik van het internationaal privaatrecht, verschillende EU-beginselen zoals het recht op vrij verkeer, de openbare orde, de beste belangen van het kind, het recht op privé- en gezinsleven, en het rechtszekerheidsbeginsel hebben op de erkenning van kafala en kindhuwelijk voor familierechtelijke en migratierechtelijke doeleinden. Het boek onderzoekt of de manier waarop een kafala of een kindhuwelijk erkend wordt voor familierechtelijke doeleinden, zoals afstamming en erfopvolging, hetzelfde is en ook kan zijn voor migratierechtelijke doeleinden, zoals gezinshereniging en de kwalificatie als niet-begeleide minderjarige. Het boek gaat niet alleen in op het wettelijk kader en de literatuur maar bevat ook een uitgebreide rechtspraakanalyse.

Ik hoop dat mijn doctoraat de lezer stimuleert te reflecteren over bepaalde gevolgen van migratie, namelijk hoe West-Europa omgaat met migranten die een kindhuwelijk zijn aangegaan en met het voor ons onbekende kafala-systeem.

Wat bracht je ertoe om dit thema te kiezen als onderwerp voor jouw proefschrift?

Toen ik begon als mandaatassistent ruim zeven jaar geleden bij professor Thalia Kruger aan de Universiteit Antwerpen ging ik op zoek naar een origineel doctoraatsonderwerp. Mijn promotor had onlangs deelgenomen aan twee studies voor het Europees Parlement over de interactie tussen het internationaal privaatrecht (IPR) en het migratierecht. Deze studies toonden aan dat meer onderzoek nodig was naar deze interactie. Bestaand onderzoek was namelijk vooral gericht op de interactie tussen het IPR en het familierecht. Deze twee studies hebben het zaadje geplant voor mijn onderzoek. Naast de interactie tussen het IPR en migratierecht, was ik ook geboeid door het Islamitisch familierecht. Ik besloot daarom om de interactie tussen het IPR, familierecht en migratierecht te onderzoeken aan de hand van twee rechtsfiguren die voorkomen in het Islamitisch familierecht, namelijk kafala en kindhuwelijk.

Wat is de belangrijkste conclusie uit jouw onderzoek? Van welke aanbevelingen uit jouw boek hoop je dat ze worden overgenomen?

De belangrijkste conclusie van mijn onderzoek is dat de erkenning van een kafala of een kindhuwelijk voor familierechtelijke doeleinden en voor migratierechtelijke doeleinden niet altijd op elkaar afgestemd zijn. Door het internationaal privaatrecht (IPR) te gebruiken kan er meer afstemming bereikt worden, maar het kan op grond van verschillende redenen niet voorkomen worden dat een kafala of een kindhuwelijk soms in het familierecht anders behandeld wordt dan in het migratierecht. Mijn boek bevat een warme oproep aan alle professionals om de volledige potentie van het IPR te gebruiken en om bewust te worden van de interactie tussen het IPR, familierecht en migratierecht.

Wat waren de grootste uitdagingen tijdens het schrijven van jouw proefschrift? Hoe ben je daarmee omgegaan?

Ik heb het schrijven van dit proefschrift als een unieke kans beschouwd om jarenlang diepgaand onderzoek te mogen doen naar één onderwerp. Dit neemt niet weg dat het onderzoek niet altijd vanzelfsprekend ging, de COVID-19 pandemie zorgde er bijvoorbeeld voor dat een onderzoeksverblijf in Duitsland later plaatsvond. Een meer inhoudelijke uitdaging van de eerste jaren van het doctoraatsonderzoek was om de rode draad niet te verliezen en te blijven focussen op de relevante aspecten in plaats van alles te onderzoeken wat interessant lijkt.

Mijn boek bevat een warme oproep aan alle professionals om de volledige potentie van het IPR te gebruiken en om bewust te worden van de interactie tussen het IPR, familierecht en migratierecht.

Wat was het moment in jouw leven dat je ontdekte dat je een bijzondere interesse had in internationaal privaatrecht?

Tijdens mijn studie rechten aan de Universiteit Maastricht volgde ik het vak internationaal privaatrecht bij professor Susan Rutten en professor René de Groot. Zij wekten mijn interesse voor dit bijzondere rechtsgebied dat ik beschouw als een soort puzzelen. Daarnaast werd mijn interesse gewekt doordat ik opgroeide in Nederland dicht bij de grens met België en Duitsland waar het internationaal privaatrecht in de praktijk een relevant rechtsgebied is.

Wat zijn de volgende plannen in jouw loopbaan? Hoe combineer je de balans life/work/auteurschap?

Momenteel geef ik les en doe ik onderzoek als universitair docent aan de Universiteit Maastricht. Daarnaast ben ik verbonden aan de Universiteit Antwerpen als senior onderzoeker, hier zal ik vanaf april op een door de Europese Commissie gecofinancierd project over kinderen in migratiecontext werken. De work-life balans in de academische wereld is niet altijd vanzelfsprekend. Ik probeer zelf daarom van het beginsel “less is more” uit te gaan door te focussen op publicaties die het relevantst zijn en die qua tijdsplanning haalbaar zijn. Daarnaast focus ik op hetgeen dat mij voldoening en energie geeft. Ik hoop daarom in de toekomst onderwijs te kunnen blijven geven en onderzoek te kunnen blijven doen naar onderwerpen in het IPR, (Islamitisch) familierecht en migratierecht.

Back To Top