We maken kennis met young potential Willem Possemiers. Als advocaat bij Janson (balie Brussel) en vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan de KU Leuven combineert hij academische diepgang met praktijkervaring in het ondernemingsrecht. In dit gesprek deelt hij zijn visie op schrijven, auteurschap en digitalisering.
Willem Possemiers: “Taal is in het recht zoveel meer dan een communicatiemiddel.”
Willem Possemiers
Willem Possemiers werkt als advocaat bij Janson (balie Brussel) en vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan de KU Leuven. Hij publiceert regelmatig bij Wolters Kluwer, onder meer in de artikelsgewijze commentaar Gerechtelijk recht en in de Juristenkrant. Hij heeft een passie voor schrijven en voor klassieke muziek.
Welke rol speelt schrijven in uw dagelijkse professionele leven?
Ik ben advocaat en ook vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan de universiteit, dus het schrijven speelt een grote rol in mijn dagelijkse werkzaamheden. Het schrijven van een advies voor een cliënt of een conclusie in een gerechtelijke procedure is natuurlijk niet hetzelfde als een bijdrage in een juridisch tijdschrift. Maar beide aspecten vullen elkaar wel mooi aan.
Wat is volgens u het grootste verschil tussen schrijven voor de praktijk en academisch schrijven?
Bij het schrijven van een juridische bijdrage kun je voluit alle mogelijke bronnen opzoeken en eventueel ook vergelijken met buitenlandse rechtsstelsels. Je legt alle opvattingen en mogelijke oplossingen naast elkaar en maakt daar dan een synthese van, waar je ook je eigen visie bij geeft. Als advocaat is dat anders, want je werkt in het belang van je cliënt. Een verzoekschrift of een conclusie moet uiteraard juridisch correct zijn, maar de hoofdzaak is om te proberen de rechter te overtuigen. Bij een alledaags geschil kom je dan meestal niet ver met verwijzingen naar het Duitse recht of de Pandectes belges.
Dat je de rechter moet overtuigen, maakt het schrijven wel erg boeiend. Je moet aan een tekst sleutelen tot je zelf vindt dat je je standpunt helder verwoordt, dat je de juiste toon aanslaat en dat je tekst goed is opgebouwd. Het fijnste is dan wanneer je degelijk juridisch onderzoek hebt kunnen voeren, en dat uiteindelijk resulteert in een overtuigende tekst die je vervolgens ziet terugkomen in de uitspraak van de rechter.
Welke plaats neemt taal in binnen het recht?
Recht en taal zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Taal is in het recht zoveel meer dan een communicatiemiddel: alles in het recht bestaat uit taal, of het nu om wetgeving gaat, om overeenkomsten, om rechtspraak of rechtsleer. Het gaat dus altijd om de vraag hoe je de feiten verwoordt en hoe je teksten interpreteert. In een meertalig rechtsstelsel zoals het onze stelt zich dat nog scherper, omdat de interpretatie van een wettekst al begint bij het verzoenen van de Nederlandse en de Franse tekst.
Allicht ben ik ook jurist geworden omdat ik graag schrijf, omdat ik het intrigerend vind om het meest gepaste woord of de meest gepolijste formulering te vinden, of omdat ik mij gewoon amuseer bij het spelen met taal. Het moet uiteraard ernstig zijn, maar binnen dat taalregister is alles mogelijk.
U werkte de voorbije jaren verschillende annotaties en doctrinebijdragen uit. Waar begon dat traject?
In het verleden heb ik een doctoraat geschreven over het vertalen van de Belgische wetgeving naar het Nederlands, in het bijzonder door de commissie-Van Dievoet. Dat was een buitengewoon boeiende en leerrijke ervaring, waarbij ik aan de KU Leuven ook in een zeer inspirerende omgeving vertoefde om na te denken over de rol van het recht en de verhouding tussen recht en taal.
Na mijn proefschrift voelde ik de behoefte om de praktijk in te duiken. Daardoor schrijf ik vandaag vooral over actuele thema’s. Recent schreef ik bijvoorbeeld aan de artikelsgewijze commentaar voor de Taalwet Gerechtszaken.
Wat maakt de Taalwet Gerechtszaken zo interessant?
De Taalwet Gerechtszaken is een politiek gevoelige wet met een lange geschiedenis, maar ook een wet die voor elke advocaat en magistraat in België belangrijk is. De bepalingen van de taalwet zijn immers voorgeschreven op straffe van absolute nietigheid. Wie bijvoorbeeld iemand wil dagvaarden voor een Brusselse rechtbank moet goed opletten, want als hij de verkeerde taal gebruikt kan zijn dagvaarding nietig worden verklaard.
De Taalwet Gerechtszaken is ook een wet die moeilijk leesbaar is. Dat komt deels omdat de wet politiek zo gevoelig is: ze is het resultaat van een lange reeks Belgische compromissen, en dus geen voorbeeld van elegante wetgevingstechniek. Het kan dan ook niet verbazen dat de wet aanleiding geeft tot bijzonder veel betwistingen. Dat alles maakt dat elke advocaat en magistraat er wel een mening over heeft en dat er ook veel over te vertellen valt.
U schreef ook over de aansprakelijkheid van banken bij phishing. Waarom dat thema?
Phishing is natuurlijk een fenomeen dat enorm veel aandacht krijgt in de media. Omdat het meestal onmogelijk is om de fraudeurs op te sporen, vragen veel gedupeerden de bank om hun verlies te vergoeden. Er bestaat een specifieke regeling voor de aansprakelijkheid van de bank, een omzetting van de Europese PSD2-richtlijn. In een phishingzaak rijst in de eerste plaats de vraag of het wel om niet-toegestane betalingstransacties gaat. Als dat het geval is moet de rechter beoordelen of de betaler “met grove nalatigheid” heeft gehandeld. Als dat zo is, is de bank niet aansprakelijk, maar als er geen grove nalatigheid is, dan moet de bank zo goed als alles vergoeden.
Voor de rechter zijn phishingzaken niet evident, vooral wanneer hij moet oordelen over de aan- of afwezigheid van grove nalatigheid. Het gaat vaak om veel geld en de wet legt een alles-of-nietsbenadering op: ofwel krijgt de betaler alles vergoed, ofwel niets. Er is meestal wel een franchise, maar die bedraagt slechts 50 euro. Alles staat of valt dus bij het begrip “grove nalatigheid”, maar voor de invulling daarvan geeft de wetgeving weinig handvatten. Intussen is er gelukkig wel al veel rechtspraak en rechtsleer gepubliceerd over dit onderwerp.
Wat betekenen die publicaties voor uw werk als advocaat?
Ik schrijf in de eerste plaats uit persoonlijke interesse, maar de teksten zijn ook bijzonder nuttig bij mijn werk als advocaat. Omgekeerd geeft de advocatuur ook veel inspiratie voor het schrijven van nieuwe bijdragen. Die wisselwerking ervaar ik als zeer positief.
Wat betekent de nog altijd toenemende digitalisering volgens u?
In wezen denk ik dat de digitalisering geen dijkbreuk is, niet voor de advocatuur, maar ook niet voor auteurs. We doen nog steeds hetzelfde als vroeger, alleen zijn de wetteksten, boeken en tijdschriften nu ook digitaal beschikbaar. In het recht is er sowieso veel meer continuïteit dan discontinuïteit, meer nog dan in andere disciplines.
Dankzij de digitalisering is het raadplegen van bronnen uiteraard wel veel sneller en gemakkelijker geworden. Je hoeft niet meer naast een bibliotheek te wonen, want alles is met enkele muisklikken beschikbaar. Daar komt nog bij dat de rechtswereld intussen ook exponentieel is gegroeid. Alle Vlaamse juristen samen zouden vandaag een kleine stad kunnen bevolken (al is dat waarschijnlijk geen goed idee) en er wordt dan ook enorm veel geschreven over het recht. Dat maakt het wel een uitdaging om als juridische auteur van al die beschikbare informatie een vlot leesbare synthese te maken.