Legal21 februari, 2022

Welkome aardbeving in het strafprocesrecht: Eindelijk rechterlijk toezicht op lange opsporingsonderzoeken

Door een recent arrest van het Grondwettelijk Hof zal niet enkel een inverdenkinggestelde of een burgerlijke partij in een gerechtelijk onderzoek een zaak bij de KI aanhangig kunnen maken als het onderzoek langer dan een jaar aansleept. Ook in een opsporingsonderzoek moet dat kunnen. 
Patrick HERBOTS en Miet DRIESSEN, De Juristenkrant 433: 'Welkome aardbeving in het strafprocesrecht: Eindelijk rechterlijk toezicht op lange opsporingsonderzoeken' 
Lees deze bijdrage rechtstreeks in Jura →

Artikel 136, lid 2 Sv bepaalt dat als een gerechtelijk onderzoek na een jaar niet is afgesloten, de inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij de zaak bij de KI kan aanhangig maken door een aan de griffie van het hof van beroep gericht met redenen omkleed verzoekschrift. De termijn van een jaar is bepaald om te voorkomen dat de partijen het werk van de onderzoeksrechter zouden bemoeilijken of zelfs onmogelijk zouden maken (Parl.St., Kamer, 1996-97, nr. 857/17, p. 16). Het wetsartikel spreekt niet over de mogelijkheid om dat te doen wanneer een opsporingsonderzoek te lang duurt. De KI van het hof van beroep in Gent stelde bij arrest van 25 februari 2021 een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof om te weten of dat onderscheid in controlemogelijkheid op het opsporingsonderzoek respectievelijk het gerechtelijk onderzoek geen schending inhield van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en het verbod op discriminatie.
De KI wilde weten of artikel 136 Sv. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt om reden dat een verdachte die het voorwerp uitmaakt van een opsporingsonderzoek dat na een jaar nog niet is afgesloten de KI niet kan vatten om controle uit te oefenen op de voortgang van de procedure, terwijl een verdachte die het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek dat na een jaar nog niet is afgesloten wel deze mogelijkheid geniet.

Vindingrijke zet

Verscheidene personen maakten het voorwerp uit van een opsporingsonderzoek dat na een jaar nog niet afgesloten was. Ze richtten zich tot de KI bij het hof van Beroep in Gent om controle uit te oefenen op de voortgang van de procedure op basis van artikel 136, tweede lid Sv. Dat was een bijzonder vindingrijke zet vanwege hun advocaten Joris Van Cauter en Gerd D. Goyvaerts. Beide advocaten waren er zich uiteraard wel van bewust dat artikel 136, tweede lid Sv. enkel toepassing vindt in het kader van een gerechtelijk onderzoek onder leiding van de onderzoeksrechter en dus niet in het kader van een opsporingsonderzoek onder leiding van de procureur des Konings, maar ze waren van oordeel dat het ontbreken van het formele controlerecht door de KI op langdurige opsporingsonderzoeken discriminerend was en in strijd met het recht op een eerlijk proces.
De KI van het hof van beroep in Gent achtte het antwoord van het Grondwettelijk Hof onontbeerlijk om een oordeel te vellen over de door het openbaar ministerie opgeworpen exceptie van onbevoegdheid tegen het ingediende verzoekschrift tot controle van het langdurige opsporingsonderzoek.
De twee advocaten verdienen applaus van hun confraters over het hele land voor hun creativiteit. Menig advocaat zal zich namelijk al hebben geërgerd aan het langdurig karakter dat bepaalde opsporingsonderzoeken kennen. Het komt zelfs voor dat bepaalde opsporingsonderzoeken worden geseponeerd na maanden stof te hebben liggen vergaren in de kast van de procureur, zonder dat er enige onderzoeksdaad werd gesteld. Het gebeurt dat het geheim karakter van het (opsporings)onderzoek wordt misbruikt als dekmantel voor luiheid en gezapigheid. In dit geval ruikt het opportuniteitsbeginsel naar willekeur en mogelijks zelfs machtsmisbruik. Het arrest van het Grondwettelijk Hof is in die zin een ware opluchting.

Preventief rechtsmiddel 

De verzoekers bekritiseerden dat er in het kader van een opsporingsonderzoek geen enkel rechterlijk optreden mogelijk is dat ertoe bijdraagt dat het strafrechtelijk onderzoek binnen een redelijke termijn wordt afgerond.
De mogelijkheid die artikel 136, tweede lid Sv. biedt aan de inverdenkinggestelde in een gerechtelijk onderzoek om de KI te adiëren als dat onderzoek na een jaar niet is afgesloten, vormt een preventief rechtsmiddel dat erop gericht is een lopend gerechtelijk onderzoek te doen versnellen (EHRM, Hiernaux t. België, § 50). Dat houdt onder andere in dat de KI de partijen kan horen, het dossier kan zuiveren, bepaalde maatregelen kan nemen of, in ernstige situaties, de zaak aan zich kan trekken.
Het Grondwettelijk Hof is van oordeel dat de verschillen tussen een opsporingsonderzoek en een gerechtelijk onderzoek niet van die aard zijn dat het redelijk verantwoord zou zijn dat enkel bij een gerechtelijk onderzoek een controle op de voortgang van het onderzoek bestaat door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie.
In het arrest van het Grondwettelijk hof van 3 februari 2022 wordt artikel 136, tweede lid Sv. in strijd geacht met de Grondwet in zoverre het niet voorziet in een daadwerkelijk preventief rechtsmiddel voor de verdachte, dat erop gericht is een lopend opsporingsonderzoek te doen versnellen, indien dat onderzoek na een jaar niet is afgesloten.

De twee advocaten verdienen applaus van hun confraters over het hele land voor hun creativiteit. Menig advocaat zal zich namelijk al hebben geërgerd aan het langdurig karakter dat bepaalde opsporingsonderzoeken kennen. Het komt voor dat opsporingsonderzoeken worden geseponeerd na maanden stof te vergaard in de kast van de procureur.
P. Herbots, M. Driessen

Sprake van inconsistentie 

Een van de argumenten die werden opgeworpen door de advocaten van de ministerraad was dat een ongrondwettigverklaren van artikel 136, tweede lid Sv. een moeilijk verklaarbare inconsistentie zou doen ontstaan.
Het Grondwettelijke Hof heeft in een eerder arrest namelijk geoordeeld dat het niet discriminerend is dat personen die het voorwerp uitmaken van een opsporingsonderzoek niet het recht hebben om bijkomende onderzoeksdaden te vragen, terwijl personen die het voorwerp uitmaken van een gerechtelijk onderzoek wél het recht hebben om bijkomende onderzoeksdaden te vragen (GwH 25 juni 2020, nr. 2020/97(. Het zou volgens hen niet consistent zijn als de mogelijkheid om bijkomende opsporingshandelingen te vragen op grondwettige wijze kan worden ontzegd aan de personen die het voorwerp uitmaken van een opsporingsonderzoek, terwijl dat niet het geval zou zijn voor de mogelijkheid om te verzoeken rechterlijk toezicht uit te oefenen op opsporingsonderzoeken die na verloop van een jaar nog niet zijn afgerond.
Het Grondwettelijk Hof veegt die argumentatie van tafel en stelt dat het onderscheid tussen beide beslissingen moet worden bekeken in het licht van de bij artikel 136, tweede lid Sv. nagestreefde doelstelling om partijen de mogelijkheid te geven te waken over de afronding van de strafprocedure binnen een redelijke termijn, zonder dat ze hiermee het strafonderzoek zouden bemoeilijken of onmogelijk maken. Het stelt verder dat het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn van toepassing is op elke strafrechtelijke procedure, ongeacht of dat de vorm aanneemt van een opsporingsonderzoek dan wel van een gerechtelijk onderzoek. In beide gevallen kan dat onderzoek immers ingrijpende gevolgen hebben voor de fundamentele rechten van de beoogde personen, wat des te meer het geval zal zijn als het niet wordt afgerond binnen een redelijke termijn.
Het Hof stelt dat niet kan worden aangenomen dat opsporingsonderzoeken per definitie minder complex van aard zijn en daardoor geen onredelijke duurtijd zouden kunnen kennen en geeft het voorbeeld van de mini-instructie (artikel 28septies Sv.) waardoor de procureur des Konings de onderzoeksrechter kan vorderen onderzoekshandelingen te verrichten, zonder dat een gerechtelijk onderzoek wordt ingesteld. Het verwijst naar artikel 6.1. EVRM dat het recht waarborgt op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie in geval van een verdedigbare klacht over de onredelijke duurtijd van een strafrechtelijke procedure.
Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat artikel 13 EVRM de overheid toelaat te kiezen voor een rechtsmiddel dat hangende procedures kan versnellen of een post factum rechtsmiddel ter bestrijding van vertragingen die al hebben plaatsgevonden.
Het Straatsburgse Hof geeft de voorkeur aan een preventief rechtsmiddel dat een schending van de redelijke termijn kan voorkomen, aangezien een compensatoir rechtsmiddel louter toelaat een schadevergoeding te vorderen voor vertragingen die reeds hebben plaatsgevonden en de procedure niet bespoedigt (EHRM, 28 oktober 2014, Panju t. België, § 53; 24 januari 2017, J.R. t. België, § 71; 24 januari 2017, Hiernaux t. België, § 50).
Het Grondwettelijk Hof stelt dat artikel 136, tweede lid Sv de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het niet voorziet in een daadwerkelijk preventief rechtsmiddel voor de verdachte, dat erop gericht is een lopend opsporingsonderzoek te doen versnellen, als dat onderzoek na een jaar niet is afgesloten.
Het schrijft verder dat het de KI toekomt om, in afwachting van het optreden van de wetgever, artikel 136, tweede lid Sv. bij analogie toe te passen in het kader van een opsporingsonderzoek. Dat is uiteraard een verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek. 

Patrick Herbots en Miet Driessen zijn advocaten. 
Legalworld
Legalworld Newsletter
Het recentste nieuws gratis in uw mailbox
Back To Top