Herziene beslissing UWV

Werknemer raakt arbeidsongeschikt. Het UWV heeft een WGA-uitkering toegekend per 2 december 2019. Werknemer is hierbij voor 46,61% arbeidsongeschikt verklaard. Werknemer heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Het UWV heeft haar beslissing herzien. ASVZ is op 2 juli 2020 tegen de beslissing op bezwaar van het UWV in beroep gegaan bij de bestuursrechter van de Rechtbank Rotterdam. Partijen worden verdeeld gehouden door de vraag voor wiens risico de gevolgen zijn van de herziene beslissing van het UWV van 5 juni 2020. Op basis van die beslissing is Werknemer namelijk geschikt voor het verrichten van haar eigen werkzaamheden en heeft ze geen recht op een WIA-uitkering. 

Nu de bestuursrechtelijke rechtsgang nog niet volledig is doorlopen, oordeelt de kantonrechter dat er geen redelijke mate van zekerheid bestaat dat in een eventuele bodemprocedure de door Werknemer gevorderde wedertewerkstelling zal worden toegewezen. Daarbij speelt een rol dat ASVZ de re-integratie van Werknemer zorgvuldig dient op te bouwen. De kantonrechter volgt ASVZ in haar stelling dat het niet verantwoord is, na een langdurige periode van arbeidsongeschiktheid, ineens over te gaan tot het laten terugkeren van Werknemer in haar oude functie met een volledige inzet van haar contracturen. Dit standpunt is bovendien in lijn met de re-integratie zoals deze door ASVZ op advies van de Bedrijfsarts is ingezet. Gelet op het bovenstaande is de gevorderde wedertewerkstelling thans in kort geding niet toewijsbaar. Wel zal ASVZ betalen conform de contractueel overeengekomen salarisschaal. Het verschil zal door ASVZ moeten worden betaald.

Deugdelijke grond voor te laat aanvragen WIA-uitkering

Een calculator is wegens ziekte uitgevallen voor zijn werk. Na twee jaar ziekte heeft de calculator een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV reageert dat het re-integratieverslag nog niet compleet is, omdat een actueel oordeel van de bedrijfsarts en het formulier ‘Medische informatie’ ontbreekt. In een besluit van 12 mei 2020 heeft het UWV aan werkgever meegedeeld dat de WIA-aanvraag uiterlijk 8 april 2020 ingediend had moeten zijn en dus te laat is gedaan, zodat de WIA-uitkering niet eerder kan ingaan dan 23 juli 2020. Ook is in dat besluit meegedeeld dat de periode waarover werkgever loon tijdens ziekte moet doorbetalen aan de calculator, wordt verlengd, en dat die verlenging gelijk is aan de periode van de te late aanvraag. Tussen partijen is een discussie ontstaan over de vraag aan wie het te wijten is dat de WIA-uitkering te laat is aangevraagd. 

Naar het oordeel van de kantonrechter is de weigering van werkgever om loon te betalen over de periode van 24 juni 2020 tot 23 juli 2020, de ‘loonstop’, onterecht. Vast staat dat het UWV in het hiervoor genoemde besluit van 12 mei 2020 de periode waarover werkgever loon tijdens ziekte moet doorbetalen aan de calculator, heeft verlengd tot 23 juli 2020. Werkgever kan toch weigeren om loon te betalen en een ‘loonstop’ opleggen, als de calculator zonder deugdelijke grond zijn WIA-aanvraag te laat heeft gedaan. De kantonrechter vindt dat de calculator een deugdelijke grond had voor het te laat aanvragen van de WIA-uitkering. Werkgever heeft niet tijdig de gegevens aangeleverd die de calculator nodig had voor de WIA-aanvraag. Met name ontbrak een actueel oordeel van de bedrijfsarts. Anders dan werkgever stelt, kon niet van de calculator worden verlangd dat hij de WIA-aanvraag al eerder zou indienen, ondanks het ontbreken van de benodigde gegevens. In de brief van 3 maart 2020 van het UWV staat immers dat een werknemer moet controleren of hij van zijn werkgever kopieën heeft ontvangen van alle documenten uit het re-integratieverslag, en dat als documenten ontbreken hij eerst kopieën daarvan moet opvragen vóórdat de WIA-uitkering wordt aangevraagd. Om die reden is de loonstop onterecht en heeft de kantonrechter de vordering van de calculator toegewezen.

Nadere uitleg slapend dienstverband

Werknemer heeft aan Pax verzocht om het dienstverband met onderling goedvinden te beëindigen en daarbij aan hem de transitievergoeding toe te kennen onder verwijzing naar de uitleg van een slapend dienstverband. Pax heeft dat geweigerd, waarna werknemer een procedure is gestart. De kantonrechter heeft aan werknemer een vergoeding toegekend gebaseerd op de transitievergoeding. Die vergoeding is toegekend op de grond dat de weigering van Pax om in te stemmen met het beëindigingsvoorstel van werknemer in strijd was met goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 BW. Volgens Pax heeft de kantonrechter die vergoeding ten onrechte toegekend. De kernkwestie in hoger beroep is, of de kantonrechter terecht werkgever heeft veroordeeld om aan werknemer een vergoeding te betalen, op de grond van dat Pax niet als goed werkgever heeft gehandeld door niet in te stemmen met een verzoek van werknemer om de arbeidsovereenkomst te beëindigen met wederzijds goedvinden onder toekenning aan hem van een vergoeding op basis van de transitievergoeding. 

Het hof leidt uit de Xella uitspraak af dat de Hoge Raad vindt dat het kunnen verkrijgen van compensatie op grond van de compensatieregeling meebrengt dat een werkgever in beginsel geen reden meer heeft voor het in stand houden van een slapend dienstverband tegen de zin van de werknemer, tenzij de werkgever duidelijk maakt dat hij een redelijk belang bij voortduring heeft. Van Pax als goed werkgever had alleen kunnen worden verlangd dat zij zou hebben ingestemd met het voorstel van werknemer om de arbeidsovereenkomst te beëindigen onder toekenning van de transitievergoeding, als zij in aanmerking zou zijn gekomen voor de compensatieregeling. 

Aangenomen moet worden dat als Pax zou hebben ingestemd met het beëindigingsvoorstel van werknemer, zij niet voor de compensatieregeling in aanmerking zou zijn gekomen. Het dienstverband is namelijk al op 12 december 2012, dus (ruim) voor 1 juli 2015, slapend geworden en tot de door werknemer zelf verzochte ontbinding slapend gebleven. Pax had destijds, na einde wachttijd, de mogelijkheid om het dienstverband te beëindigen omdat aan de (toenmalige) voorwaarden daarvoor was voldaan. Werknemer heeft bij een beëindiging van het dienstverband op zijn voorstel dan alleen aanspraak op een vergoeding die overeenkomt met de transitievergoeding per de datum waarop het dienstverband vanwege zijn langdurige arbeidsongeschiktheid beëindigd had kunnen worden. Op die datum (1 mei 2013) bestond de Wwz nog niet. Werknemer zou bij een beëindiging op die datum dus ook geen aanspraak op een transitievergoeding hebben gehad. Als Pax in 2019 toch zou hebben ingestemd met het voorstel van werknemer tot beëindiging onder toekenning van een vergoeding, zou zij die vergoeding dus onverplicht hebben betaald en om die reden geen aanspraak hebben gehad op compensatie. In die situatie kan niet worden gezegd dat Pax heeft gehandeld als ‘niet goed werkgever’ door het voorstel van werknemer te verwerpen. Daarmee bestaat geen grond voor toekenning aan werknemer van een vergoeding gebaseerd op artikel 7:611 BW. Om die reden trekt werkgever aan het langste eind.

ECLI:NL:RBROT:2020:8835 Rechtbank Rotterdam, 10-09-2020, 8666635
kort geding, wedertewerkstelling, loondoorbetaling na wachttijd ziekte

ECLI:NL:RBGEL:2020:5069 Rechtbank Gelderland, 14-09-2020, 8651810
Zieke werknemer verblijft in buitenland zonder toestemming werkgever en komt niet terug. Ontbinding arbeidsovereenkomst vanwege niet meewerken door werknemer aan re-integratieverplichtingen. Geen transitievergoeding vanwege ernstig verwijtbaar handelen.

ECLI:NL:RBGEL:2020:5067 Rechtbank Gelderland, 18-09-2020, 8718256
Werkgever betaalt loon zieke werknemer niet uit. Verrekening niet toegestaan. Nevenactiviteiten niet aannemelijk. Dwangsom afgewezen.

ECLI:NL:RBNHO:2020:8227 Rechtbank Noord-Holland, 14-04-2020, 8630741 VV EXPL 20-41
Arbeidszaak. De loonstop die werkgever heeft opgelegd, is onterecht, omdat werknemer een deugdelijke grond had voor de te late aanvraag van de WIA-uitkering.

ECLI:NL:RBLIM:2020:7918 Rechtbank Limburg, 14-10-2020, 8555804 CV EXPL 20-2582
Loondoorbetaling, weigering meewerken evaluatie plan van aanpak niet gebleken

ECLI:NL:RBNHO:2020:7187 Rechtbank Noord-Holland, 02-09-2020, 8641805 VV EXPL 20-106
Achterstallig loon tijdens ziekte. Overlegging van een deskundigenverklaring in de zin van artikel 7:629a BW is in kort geding niet vereist (zie ECLI:NL:HR:2018:1673). De wettelijke verhoging en wettelijke rente worden toegewezen.

ECLI:NL:GHARL:2020:8695 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-10-2020, 200.248.840
Vervolg op: ECLI:NL:RBGEL:2018:3264. Loonvordering. Recht op doorbetaling tijdens situatieve arbeidsongeschiktheid? Toepassing arrest Mak/SGBO.

ECLI:NL:GHARL:2020:8645 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-10-2020, 200.278.599/01
Ontbinding slapend dienstverband op verzoek werknemer. Weigering werkgever om in stemmen met voorstel werknemer tot beëindiging dienstverband met wederzijds goedvinden onder toekenning van de transitievergoeding niet ernstig verwijtbaar. Derhalve geen grond voor toekenning van een vergoeding aan werknemer op die grond. Dienstverband al slapend voor in werking treden van de Wwz. Werkgever had dienstverband voordien ook al kunnen beëindigen. Bij beëindiging dienstverband in dit geval daarom geen aanspraak werknemer op een vergoeding gebaseerd op de transitievergoeding. Bij toekenning daarvan zou werkgever daarvoor dan ook geen compensatie hebben ontvangen. Weigering van werkgever om in te stemmen met het verzoek van werknemer daarom niet in strijd met goed werkgeverschap. Werknemer komt bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op zijn verzoek daarmee ook geen vergoeding toe gebaseerd op artikel 7:611 BW.