mobility car
Legal22 februari, 2022

Vergroening van het wagenpark: mobiliteitsbudget soepeler en aantrekkelijker gemaakt

Het mobiliteitsbudget werd ingevoerd als alternatief voor de bedrijfswagen. Dit mobiliteitsbudget steunt op drie pijlers. De werknemer kiest vrij van welke pijler hij gebruik wil maken. Voor elke pijler geldt een eigen sociale en fiscale regeling.

Het mobiliteitsbudget bestaat al twee jaar. Volgens de memorie van toelichting tonen recente cijfers aan dat het mobiliteitsbudget nog niet is ingeburgerd bij de werkgever en de werknemer. Daar zijn verschillende verklaringen voor te geven, waaronder de (veronderstelde) complexiteit om de huidige regeling in te voeren of toe te passen. In elk geval staat vast dat veel werkgevers wel brood zien in een mobiliteitsbudget en overwegen om het in te voeren (Parl. St. Kamer, zittingsperiode 2020-2021, nr. 55-2170/006, p. 16). De bedoeling is dus om het mobiliteitsbudget te verfijnen en te versterken.1. Bedrag van het mobiliteitsbudget en totale jaarlijkse brutokost (TCO)
Download hier het handige schema mobiliteitsbudget

1.1 Door de Koning vastgestelde formule

 

Het bedrag van het mobiliteitsbudget komt overeen met de jaarlijkse brutokostprijs voor de werkgever van de bedrijfswagen waarop de werknemer recht heeft, met inbegrip van de fiscale en parafiscale lasten en de daaraan gerelateerde kosten in het kader van het bedrijfswagenbeleid, zoals de financieringskosten, de brandstofkosten, de verschuldigde solidariteitsbijdrage.

De totale jaarlijkse brutokostprijs voor de werkgever van de financiering en het gebruik van een bedrijfswagen is de zogenaamde ‘total cost of ownership’ (TCO), na aftrek van de eigen bijdrage van de werknemer. De vaststelling van die TCO blijft echter vrij complex.

Daarom zal worden voorzien in de mogelijkheid voor de Koning om, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een formule vast te leggen waarmee het bedrag van het een subtiel gebruik van het begrip ‘moet’ voor werkelijke kosten en van ‘kan’ voor forfaitaire kosten. Zo zou de formule ‘werkelijke kosten’ moeten worden gebruikt, maar bij afwijking zou het mogelijk zijn te opteren voor de formule ‘forfaitaire waarden’.

1.2 Minimumdrempel en maximumgrens

 

Voortaan is het bedrag van mobiliteitsbudget op basis van werkelijke kosten moet worden berekend, alsook een formule waarmee het bedrag van het mobiliteitsbudget op basis van forfaitaire waarden kan worden berekend.

Er is sprake van het mobiliteitsbudget gelijk aan minimaal 3.000 euro en maximaal 1/5 van het totale brutoloon, met een absoluut maximum van 16.000 euro per jaar.

In de praktijk betekent dit dat wanneer de werkgever uitkomt op een TCO die lager is dan 3.000 euro, hij in ieder geval verplicht zal zijn een mobiliteitsbudget toe te kennen van minimaal 3.000 euro en dat wanneer hij uitkomt op een TCO die hoger is dan 16.000 euro, het budget beperkt zal worden tot 16.000 euro (Parl. St. Kamer, zittingsperiode 2020-2021, nr. 55-2170/006, p. 33).

Daarnaast wordt er een beperking vastgelegd die bepaalt dat het bedrag van het toegekende mobiliteitsbudget niet hoger mag zijn dan een vijfde van het totale brutoloon van de werknemer zoals bedoeld in artikel 6, § 1, derde lid van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. Hiermee wordt een nieuwe antimisbruikbepaling ingevoerd die het bedrag van het mobiliteitsbudget beperkt in verhouding tot het totale brutoloon van de werknemer.

De nieuwe drempel en maxima zijn pas van toepassing vanaf 1 januari 2023 voor wat de mobiliteitsbudgetten betreft die vóór de publicatiedatum van de wet in het Belgisch Staatsblad werden toegekend.

2. Pijler 1 milieuvriendelijke bedrijfswagens

 

2.1 Hoe worden de uitgaven berekend?

 

Het mobiliteitsbudget kan worden gebruikt voor de financiering van de terbeschikkingstelling van een milieuvriendelijke bedrijfswagen en daarmee gerelateerde kosten in het kader van het bedrijfswagenbeleid, zoals de brandstofkosten, de solidariteitsbijdrage en, in voorkomend geval, de kosten voor het beheer van het mobiliteitsbudget.

Voortaan wordt bepaald dat de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een formule kan vastleggen waarmee het bedrag van de uitgaven van het mobiliteitsbudget in pijler 1 moet worden berekend op basis van de werkelijke kosten of kan worden berekend op forfaitaire basis.

Bovendien wordt voorzien in de schrapping van de uitzondering voor einde reeks-voertuigen om op het tijdstip van het verzoek tot toepassing van de wet betreffende het mobiliteitsbudget te voldoen aan de minimale emissienorm voor luchtverontreinigende stoffen of aan een latere norm. Alle voertuigen van pijler 1 zullen voortaan aan de voor nieuwe voertuigen geldende emissienormen moeten voldoen op het tijdstip van het verzoek.

2.2  Milieuvriendelijke bedrijfswagens: definitie

 

Vanaf 1 januari 2026 zullen alleen volledig elektrische wagens worden beschouwd als milieuvriendelijke wagens die in aanmerking komen voor pijler 1. De mogelijkheid om een wagen te kiezen die CO2 onder een bepaald plafond uitstoot, wordt geschrapt.
Deze verplichting om een koolstofemissievrije wagen te kiezen zal ook van toepassing zijn op alle gemotoriseerde voertuigen die onder zachte mobiliteit vallen, op carpooling en autodelen en op het verhuren van auto’s met chauffeur.

3. Pijler 2 uitbreiding: duurzame vervoersmiddelen

 

3.1   Zachte mobiliteit

 

Met ‘zachte mobiliteit’ worden alle voertuigen bedoeld die niet sneller gaan dan 45km/u.

Momenteel kan het mobiliteitsbudget worden gebruikt voor aankoop, huur, leasing, onderhoud en verplichte uitrusting van deze vervoersmiddelen. Voortaan wordt de financiering van deze vervoersmiddelen toegevoegd. Zo kunnen onder andere ‘fietsleningen’ in aanmerking worden genomen in het mobiliteitsbudget.

Ook zal de financiering van stallingskosten van deze voertuigen via het mobiliteitsbudget worden toegestaan. Het gaat dan om al dan niet overdekt parkeren van bijvoorbeeld een fiets, een bromfiets of een elektrische motorfiets. Er hoeft geen verband te zijn met het openbaar vervoer. Zo wordt het mogelijk om betaalparkings te financieren voor fietsen van burgers die geen eigen plaats hebben in/aan huis om hun fiets veilig weg te zetten.

Vervolgens hoeft de uitrusting van deze vervoermiddelen niet meer verplicht te zijn om in aanmerking te komen. Voortaan gaat het om uitrusting ter bescherming van de bestuurder en zijn passagiers en uitrusting ter verhoging van hun zichtbaarheid. Er wordt in het mobiliteitsbudget voortaan dus rekening gehouden met fietshelmen en fluohesjes. Regenkledij valt als dusdanig niet onder deze categorie, maar kan wel worden gefinancierd binnen het mobiliteitsbudget wanneer ze eveneens de bescherming en/of de zichtbaarheid van de bestuurder of zijn passagiers verbetert (Parl. St. Kamer, zittingsperiode 2020-2021, nr. 55-2170/006, p. 20).

Tot slot wordt een nieuwe voertuigcategorie toegevoegd aan de zachte mobiliteit: driewielers van categorie L5e-A van de Europese Verordening nr. 168/2013 en quadri-mobiles voor personenvervoer van categorie L7e-CP van dezelfde verordening, op voorwaarde dat ze elektrisch worden aangedreven. Volgens de memorie van toelichting is het de bedoeling om zich te richten op voertuigen die onder bepaalde voorwaarden diensten aanbieden die gelijkwaardig zijn aan die van een auto (vierwielers) of een motorfiets (driewielers), zoals de mogelijkheid om meerdere personen te vervoeren, een snelheid te halen van meer dan 45 km/u of een passagiersruimte te hebben, en die tegelijk een veel betere energie-efficiëntie bieden door hun geringere massa (maximaal 1000 kg voor driewielers en maximaal 450 kg voor vierwielers, exclusief het gewicht van de batterijen) en een kleinere voetafdruk op de openbare weg. Ook al worden deze voertuigen nog niet op grote schaal op onze wegen gebruikt, toch is het logisch ze op te nemen in de lijst van oplossingen die worden aangeboden aan mensen die willen overschakelen naar het mobiliteitsbudget, aangezien ze aan de meeste mobiliteitsbehoeften van sommigen onder hen zouden kunnen voldoen (Parl. St. Kamer, zittingsperiode 2020-2021, nr. 55-2170/006, p. 21).

3.2 Openbaar vervoer

 

Voortaan kunnen abonnementen voor het openbaar vervoer voor de verplaatsingen van de inwonende gezinsleden van de werknemer worden gefinancierd via een mobiliteitsbudget.

De voorwaarde dat het moet gaan om verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling wordt voor de werknemer eveneens geschrapt.

Het mobiliteitsbudget kan ook parkeerkosten financieren die gepaard gaan met het gebruik van het openbaar vervoer voor woon-werkverkeer.

3.3 Voetgangerspremies

 

Ook de voetgangerspremie voor verplaatsingen van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling wordt gelijkgesteld met een duurzaam vervoermiddel.

Momenteel wordt de voetgangerspremie gedeeltelijk of volledig vrijgesteld op basis van artikel 38, § 1, eerste lid, 9°, c) van het WIB 92 (vrijstelling ten belope van 250 euro, vrijgesteld tegen 440 euro voor a.j. 2022). Op de premie zijn wel socialezekerheidsbijdragen verschuldigd.

Deze premie wordt uitsluitend ingevoerd in het kader van het mobiliteitsbudget. Het bedrag ervan zal gelijk zijn aan dat van de fietsvergoeding (0,24 euro/km). Woon-werkverplaatsingen met (al dan niet elektrische) step, skateboard, rolschaatsen, toestellen voor personen met een verminderde mobiliteit, ... kunnen op dezelfde manier worden vergoed.

De premie kan niet worden toegekend voor louter privéverplaatsingen die te voet worden afgelegd.

Een werknemer die ten laste van het mobiliteitsbudget een voetgangerspremie of een premie voor het gebruik van een voortbewegingstoestel ontvangt voor verplaatsingen van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling kan geen aanspraak maken op de vrijstelling die van toepassing is op de tegemoetkoming van de werkgever in de verplaatsingskosten van het woon-werkverkeer (vrijstelling van 440 euro).

3.4  Huisvestingskosten

 

Eén van de gelijkstellingen met duurzame vervoermiddelen gaat over huisvestingskosten, met name huurgelden en interesten van hypothecaire leningen, voor een woning die zich binnen een straal van 5 km van de normale plaats van tewerkstelling bevindt.
Tot nu toe kan het mobiliteitsbudget aangewend worden voor het betalen van de huur van een woning of appartement dicht bij het werk. Wordt de woning of het appartement niet gehuurd maar aangekocht, dan kan het mobiliteitsbudget gebruikt worden voor de interesten op de hypothecaire lening. De kapitaalaflossingen komen er niet voor in aanmerking.

In de toekomst zal de actieradius worden uitgebreid tot 10 kilometer. Bovendien zullen kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen ook in aanmerking komen, en niet alleen huurgelden en interesten van die leningen.

3.5. Verplichting tot keuze in de tweede pijler

 

De werkgever zal verplicht zijn om minstens een aanbod te doen aan zijn werknemers in het kader van pijler 2 (duurzame vervoerswijzen). Momenteel zijn werkgevers niet verplicht om elk van de drie pijlers aan te bieden.

 

4. Toekenningsvoorwaarden van het mobiliteitsbudget

 

Om een mobiliteitsbudget te kunnen aanvragen, moest de werknemer tot nu toe voldoen aan een dubbele voorwaarde:
•    hij moet in de loop van de laatste 36 maanden beschikken of beschikt hebben over een bedrijfswagen of in aanmerking zijn gekomen voor een bedrijfswagen gedurende ten minste 12 maanden;
•    op het tijdstip van de aanvraag moet hij sinds ten minste 3 ononderbroken maanden beschikken over een bedrijfswagen of in aanmerking komen voor een bedrijfswagen.
Deze wachttijd wordt nu geschrapt. Werknemers die in principe aanspraak kunnen maken op een bedrijfswagen kunnen dus voortaan onmiddellijk een mobiliteitsbudget toegekend krijgen, zonder wachttijd.

Volgens de parlementaire voorbereiding biedt deze afschaffing het voordeel dat de in aanmerking komende werknemers meteen (i.p.v. na een wachttijd te hebben doorlopen) een mobiliteitsbudget kunnen aanvragen. Voor de mobiliteit biedt deze afschaffing het voordeel dat de werknemers die in aanmerking komen voor het mobiliteitsbudget niet langer gedurende minstens 1 jaar met die wagen moeten rondrijden, vervuilen, bijdragen aan de verkeerscongestie, enz. alvorens ze die kunnen omruilen voor een mobiliteitsbudget (dat een duurzaam alternatief voor de bedrijfswagen vormt). Hoe langer men werknemers laat proeven van de voordelen en het gemak dat een bedrijfswagen biedt, hoe moeilijker het is ze te overtuigen om geheel of gedeeltelijk over te schakelen op andere, duurzamere verplaatsingswijzen (Parl. St. Kamer, zittingsperiode 2020-2021, nr. 55-2170/006, p. 24).

We herinneren eraan dat de volgende werknemers in aanmerking komen voor een bedrijfswagen: werknemers die deel uitmaken van een functiecategorie waarvoor het bij de werkgever geldende bedrijfswagenbeleid in een bedrijfswagen voorziet.
In het voorontwerp van wet was die voorwaarde volledig geschrapt. Die schrapping is niet meer opgenomen in de wet. Het mobiliteitsbudget zal dus gekoppeld blijven aan het deel uitmaken van een specifieke functiecategorie.
We benadrukken ook dat de werkgever nog altijd moet voldoen aan een voorwaarde om het mobiliteitsbudget toe te kennen: hij mag enkel een mobiliteitsbudget invoeren als hij aan een of meerdere werknemers al een of meerdere bedrijfswagens ter beschikking heeft gesteld tijdens een ononderbroken periode van 36 maanden die onmiddellijk voorafgaat aan de invoering van het mobiliteitsbudget.

5. Beroepsverplaatsingen

 

Wat gebeurt er als de bedrijfswagen (die met het mobiliteitsbudget is gefinancierd) voor beroepsverplaatsingen wordt gebruikt? Tot nu toe is het antwoord op deze vraag niet duidelijk.

Er zal worden bepaald dat de werkgever de kosten van de bedrijfswagen die het gevolg zijn van het gebruik van die wagen voor beroepsdoeleinden, in mindering mag brengen van het mobiliteitsbudget; hij moet de werknemer dan vergoeden voor de kosten die hij voor deze verplaatsingen maakt.

6. Inwerkingtreding

 

De wijzigingen met betrekking tot het mobiliteitsbudget zijn in werking getreden op 1 januari 2022.

 

Auteur: Bernard Mariscal

Bron:  Wet van 25 november 2021 houdende fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit, BS., 3 december 2021

Over de auteur

Bernard Mariscal is Benefits Expert, HR-afdeling Deloitte. Daarnaast is hij docent bij de Ecole supérieure des Sciences fiscales (ICHEC) en deskundige onderwijs bij de UCL. Hij is tevens Raadsheer in sociale zaken bij het Arbeidshof te Brussel.

Legalworld
Legalworld Newsletter
Het recentste nieuws gratis in uw mailbox
Back To Top